Begin jaren '90 kwam priester Filip Helderweirt in het Begijnhof wonen, een rustige plek om uit te rusten en om te herstellen. Zijn gezondheid kende betere tijden maar echt herstel is er nooit echt gekomen. Deze week kwam het bericht van zijn overlijden.
In 1992 bracht Kerk & Leven een aangrijpend interview over lijden en de eenzaamheid van ziekte.
Als je zo van de ene dag op de andere overschakelt van gezond-zijn
naar ziek-zijn, kun je dat moeilijk geloven. Zo plots overvalt het je.
Je bent er niet goed van. Dat
valt vooral tegen, omdat je nog zoveel wil
verwezenlijken. Soms word ik opstandig en heel verdrietig.
Of de geneeskunde me nog ooit zal kunnen redden, weet ik niet; hoewel ik
het hoop. In feite hoop ik spontaan te genezen. Zo op een mooie dag als
genezen te mogen opstaan. Ben ik ook niet zo plots ziek geworden? Het
is een droom. Nog regelmatig krijg ik inspuitingen die de aanmaak van
witte bloedcellen bevorderen. Laat ons hopen dat het toch ooit mag
lukken dat ik weer gezond zal zijn. Het is erg om niets meer te kunnen
doen. Ik droomde zoveel te kunnen doen in dit leven. Voorlopig kan ik
het niet meer. Zal dat voor altijd zijn? Komt daar nooit verandering in?
Ik weet het niet. Ik weet ondertussen wel dat nog veel andere jongeren
hun droom zien instorten als gevolg van een ziekte. Als je ziek bent,
verlies je ook een groot deel van het sociale leven. Je kunt er
nauwelijks nog aan deelnemen. Vroeger had ik veel vrienden. Och nee, ze
vergeten me niet, want ze sturen me nog af en toe een kaartje. Toch zou
het natuurlijk veel beter kunnen. Het is niet meer hetzelfde als
vroeger. Toen telefoneerden mijn vrienden me heel vaak, nu bijna nooit
meer. Zo gaat dat nu eenmaal, als je al lang ziek bent. In het begin van
mijn ziekte stond de telefoon nooit stil. Nu staat hij veel te lang
stil om goed te zijn.
Het doet pijn als mensen je zeggen: je ziet er goed uit. Het is een
dooddoener. Het wordt zo gemakkelijk gezegd. Het duidt op de onmacht van
mensen om over de ziekte te praten. Velen hebben over mijn ziekte reeds
hun conclusie gemaakt. Weten ze niet allemaal wat kanker betekent? En
loopt dat vaak niet verkeerd af? Als ik in het ziekenhuis kom, ontmoet
ik allerhande zieke mensen. Daar denk ik vaak diep na. De gedachte aan
de dood speelt soms door mijn hoofd. Geen dokter zet er een termijn op.
Als ze nu maar konden zeggen: over een paar jaar zal je genezen zijn!
Dan zou ik tenminste weten waar me aan te houden. Nu leef ik in de
grootste onzekerheid. Regelmatig wordt mijn bloed onderzocht. Als de
uitslag slecht is, ben ik te neer geslagen. Af en toe is het beter en
dan krikt me dat op.
De dagen kunnen inderdaad heel lang duren. Ik sta op, rust dan veel
op het bed in de living. De hele dag luister ik naar de radio. Die is
mijn gezel tijdens mijn ziekte. Zo gaat de tijd vlugger voorbij. De
televisie is er ook nog, maar alleen in de avond. Ik heb het reeds
gezegd, ik ben vaak heel verdrietig en voel me eenzaam. Gelukkig zijn er
nog een aantal mensen, die heel dicht bij me staan en me bemoedigen.
Vooral mijn moeder is daar sterk in. Aan zo’n mensen kan ik me
optrekken.
Als je zo ziek bent, stel je veel vragen over God. Voor mij is God géén
straffende God. Mijn ziekte is geen straf vanwege God. In zo een God kan
ik trouwens niet geloven. Of God met me meevoelt? (Weer volgt wat
stilte.) Voor mij gaat het om een God die met mij meegaat in mijn
ziekte. Het is echter in zo’n omstandigheden vaak moeilijk om met God
bezig te zijn, zozeer neemt de ziekte je in beslag. Je stelt soms veel
vragen. Bidden is voor mij ver van gemakkelijk. Toch bid ik regelmatig,
maar zelden of nooit voor mijzelf. Ik vraag God niet dat Hij me zou
genezen. Dat kan niet, want het kadert niet in mijn godsbeeld. Bidden om
kracht om het vol te houden, ja dat wel.