Vandaag een zeer lezenswaardige column over de Sociale Zekerheid, haar wortels en haar toekomst. Jan Dumolyn heeft dit in het kader van zijn vaste column Tragedie & Klucht in De Standaard.

De disciplinering van de armen, een geschiedenis van Juan Luis Vives tot de actieve welvaartsstaat van Frank Vandenbroucke
Het evenwicht in de sociale zekerheid is zoek, schrijft Jan
Dumolyn. De nadruk ligt voor werklozen op sancties, terwijl ondernemers
gunstregimes krijgen.
In 1526 publiceerde de humanist Juan Luis Vives De Subventione Pauperum,
een traktaat over armenzorg. Vives, vandaag vooral bekend van de
West-Vlaamse hogeschool die zijn naam draagt, woonde toen in Brugge. Als
afstammeling van Valenciaanse Joden was hij voor de inquisitie naar
Vlaanderen gevlucht. Zijn werk geldt als een van de eerste systematische
teksten over wat we nu sociaal beleid zouden noemen. Armenzorg moest
volgens de geleerde worden gecoördineerd door de stedelijke overheid,
niet door verspreide liefdadigheid van particulieren en religieuze
instellingen.
Behoeftigen moesten worden geregistreerd en
ingedeeld naargelang ze al dan niet konden werken. Vives pleitte
weliswaar voor de waardigheid van de armen, maar zijn voorstel, dat
alleen in Ieper gedeeltelijk werd toegepast, betekende in de praktijk
een vorm van disciplinering. Het idee dat armoede voortkwam uit luiheid
en dat armen tot arbeid moesten worden aangezet of gedwongen, vond
weerklank bij de elites en verspreidde zich tijdens de vroegmoderne
periode over heel Europa.
In de vroegste samenlevingen vormde de
familie het belangrijkste vangnet. In de oudheid bestonden soms beperkte
vormen van publieke ondersteuning, zoals de Romeinse graanbedelingen
die sociale onrust moesten voorkomen. Onder invloed van het christendom
ontstond later een meer gestructureerde armenzorg. Kerken deelden
voedsel uit, verzorgden zieken en boden onderdak aan reizigers en
behoeftigen. Die christelijke caritas was echter niet gebaseerd op een
recht op ondersteuning, maar eerder op het idee dat de rijken via
aalmoezen hun zielenheil konden verzekeren.
In de middeleeuwen
groeide bovendien het onderscheid tussen “waardige” armen, zoals mensen
met een beperking, en “onwaardige” armen, zoals landlopers en gezonde
werklozen. De zakaat, een van de vijf zuilen van de islam, had een
verplichtender karakter: elke moslim die het zich kan veroorloven, moet
volgens religieuze voorschriften bijdragen aan de ondersteuning van
behoeftigen. Maar ook dat was geen moderne vorm van sociale zekerheid of
structurele armoedebestrijding. Vanuit dat perspectief oogt een
hedendaags, sterk gehypet initiatief als De Warmste Week eerder als een
trieste stap achteruit.
Armenbussen
Want naast die
paternalistische en caritatieve logica bestaat al eeuwen een andere
visie op sociale zorg: het principe van het wederzijdse dienstbetoon. In
de middeleeuwse en vroegmoderne steden kreeg onderlinge solidariteit
vorm binnen de ambachtsgilden. Via gezamenlijke kassen, de zogenaamde
“bussen”, spaarden leden voor ondersteuning bij ziekte, ouderdom of
overlijden. Zo ontstond een vroege vorm van sociale verzekering van
onderuit, zij het beperkt tot de eigen beroepsgroep en onderhevig aan
morele regels. Een steenkapper die dronken van zijn stelling viel, kon
bijvoorbeeld geen beroep doen op de armenbus.
Met de opkomst van
het kapitalisme kwamen de gilden steeds meer onder druk te staan. Zo
verdwenen veel traditionele beschermingsmechanismen zonder dat daar
meteen volwaardige alternatieven voor in de plaats kwamen. De nadruk op
controle en disciplinering van de ellendelingen, die al bij Vives
aanwezig was, werd verder veralgemeend. Naar Hollands voorbeeld
ontstonden in vele steden rasphuizen voor mannen, waar hout werd geraspt
voor de verfindustrie, en spinhuizen voor vrouwen. Daar werden
bedelaars en werkonwilligen aan dwangarbeid onderworpen. Ook in Gent
werd in 1773 zo’n rasphuis opgericht. Het stervormige gebouw liet toe
dat bewakers alle vleugels konden overzien. Lieven Bauwens, de held uit
onze vaderlandse geschiedenis, liet de gevangenen tegen minimale voeding
dwangarbeid verrichten, maar werd er uiteindelijk buitengezet, omdat de
brutaliteit van deze entrepreneur zelfs naar de normen van zijn tijd te
ver ging.
Arbeiders begonnen opnieuw zelf organisaties op te
richten, waarin ze geld bijeenbrachten voor ziekte, werkloosheid en
overlijden. Samen met vakverenigingen en coöperaties vormden die
onderlinge fondsen de basis van de sociale zekerheid, die zich in België
niet in de eerste plaats als een centraal overheidsproject ontwikkelde
maar als een netwerk van initiatieven van onderop. Het systeem dat vanaf
1944 door staatsman Achiel Van Acker in het sociaal pact werd
verankerd, combineerde uiteindelijk universele dekking met verplichte
bijdragen, in een samenwerking tussen werkgevers, werknemers en de
staat. Het was een historisch compromis tussen arbeid en kapitaal.
‘Actieve welvaartsstaat’
Dat
compromis steunde echter op de uitzonderlijke economische groei van de
naoorlogse decennia. Toen die hoogconjunctuur vanaf de crisis van de
jaren 70 begon te haperen, kwam ook het fundament van de klassieke
welvaartsstaat onder druk te staan. Tegen het einde van de twintigste
eeuw herijkten de partijen die dat model hadden gedragen – ook de
christendemocratie – hun aanpak, met de ‘actieve welvaartsstaat’ als
nieuw sleutelbegrip. In België was en is Frank Vandenbroucke een van de
belangrijkste pleitbezorgers van die visie. Het kernidee is eenvoudig:
de welvaartsstaat kan alleen overeind blijven als mensen meer
verantwoordelijkheid opnemen om actief deel te nemen aan de
arbeidsmarkt. Hen streng tot werken aanzetten verschaft niet alleen
inkomsten voor het sociale stelsel, maar beperkt ook het misbruik van
sociale voorzieningen. Die redenering heeft onmiskenbaar een zekere
logica.
Het zou uiteraard overdreven zijn om die benadering te
vergelijken met de rasphuizen en spinhuizen van weleer. Toch valt op hoe
de nadruk geleidelijk verschuift van solidariteit naar controle. De
manier waarop langdurig zieken door sommige politici vandaag worden
afgeschilderd heeft dan ook veel kritiek uitgelokt. Rond dat thema lijkt
een bredere ideologische campagne op gang, waarin het beeld van de
zogenaamd langdurige sociale profiteurs – ondanks hun beperkte aantal in
de reële statistieken – weer helemaal centraal staat.
Fraude
moet absoluut worden aangepakt om een blijvend draagvlak voor ons
sociaal model te behouden, maar de morele asymmetrie in het debat over
activeringsprikkels is opvallend. Voor werklozen en zieken ligt de
nadruk op sancties en gedragssturing. Voor ondernemers daarentegen
worden incentives gecreëerd via lastenverlagingen en gunstregimes, en
vaak ook minnelijke schikkingen of zelfs fiscale amnestie. Het contrast
is moeilijk te negeren. In 2025 werd ongeveer 120 miljoen euro aan
sociale uitkeringsfraude teruggevorderd, een bedrag dat veel aandacht
krijgt. Maar wanneer in één bekend dossier een grote ondernemer 66
miljoen euro via belastingparadijzen aan de fiscus onttrekt, blijft de
maatschappelijke verontwaardiging merkbaar beperkter. Nochtans zouden
dergelijke bedragen een aanzienlijk sociaal programma kunnen
financieren.
Tegelijk wordt de financiering van de sociale
zekerheid al decennialang stapsgewijs uitgehold. Verlagingen van de
patronale bijdragen hebben de inkomstenbasis verzwakt. Ook de recente
uitbreiding van flexi-jobs, waarop dus geen sociale bijdragen worden
betaald, dreigt op lange termijn een catastrofale hypotheek op het
systeem te leggen. Ondertussen neemt het aandeel van kapitaalinkomsten
in de totale welvaart toe, terwijl hun bijdrage aan de sociale zekerheid
beperkt blijft. Ook een strengere aanpak van fiscale fraude zou
aanzienlijk meer middelen kunnen opleveren. Toch daalde de opbrengst van
de Bijzondere Belastinginspectie dit jaar met een derde. De politieke
prioriteiten lijken elders te liggen. Het laaghangende fruit zit bij die
aloude misérables en dus disciplineren we opnieuw de armen.