6.14.2026

"Waarom betogen voor vrede nobel en nuttig is"


 

Waarom betogen voor vrede nobel en nuttig is
 
De mens is enerzijds een sociaal dier met een unieke waardigheid, en anderzijds een wolf voor zijn medemens. Deze stelling vertaalt de fundamentele insteek van zoveel miljarden mensen die liever persoonlijk en maatschappelijk in vrede dan in conflict leven. We beseffen dat de menselijke natuur haar kwade kanten heeft, maar de zelfzucht, onverschilligheid en graaicultus van een aantal burgers wegen niet op tegen het engagement, de werklust en het zin-zoeken van zoveel andere medeburgers.
 
De ervaring heeft ons geleerd dat een oorlog die onrecht of agressie bestrijdt al te vaak uitmondt in disproportioneel geweld dat voornamelijk massa’s burgerslachtoffers eist en het normale leven van burgers wegduwt in de banalisering van het kwaad.
 
De actieve geweldloosheid en het vredesnarratief steunen op openheid voor dialoog via preventieve diplomatie en conflictmanagement zodra een conflict wordt uitgevochten.
 
De bekende Franse 20ste-eeuwse filosoof en socioloog Raymond Aron beschrijft in een boek over de kettingoorlogen een onderscheid tussen de onmiddellijke en verre oorzaken van een conflict. Bijna elke oorlog en meer dan honderd vergeten conflicten wereldwijd zijn gebaseerd op een vernedering, waardoor de overwonnen vijand een toekomstige agressor wordt. Elk conflict draagt in zich een onevenwichtig vredesbestand, een gedeeltelijk verdrongen drang tot wraak.
 
Elk volk heeft het recht op zelfverdediging, maar wij pleiten binnen dit recht voor creatieve diplomatie en constructieve dialoog in plaats van een wapenwedloop. Een actieve diplomatie wordt succesvol als elke partij zich plaatst in het mentale gedragspatroon van de vijand. Waarom valt die partij mij aan? Het antwoord is vaak terug te vinden in een betere kennis van de geschiedenis.
 
Wij betreuren bij de huidige politici een gebrek aan historische visie en een afwezigheid van technieken van conflictmanagement. De lezer beseft niet hoe een cursus in dit onderwerp kan leiden tot pogingen tot verzoening. Tussen staten, tussen burgers, binnen elke familie of binnen zichzelf.
 
Wij aanvaarden geenszins de huidige oorlogspropaganda, de militarisering van de humanitaire en civiele geneeskunde en een diplomatie die afglijdt naar mercantiel winstbejag rond fossiele en kritische grondstoffen.
 
Betogen voor vrede is dus nuttig om diverse redenen: vrede bevordert de sociale cohesie. Vrede garandeert onze sociale zekerheid en economische ontwikkeling. Vrede bevordert onze persoonlijke vrijheid, ons autonoom denken. Vrede remt grote volksverplaatsingen en gedwongen migraties af. Vrede herinnert ons aan het levensbelang van mensenrechtenverklaringen, internationale verdragen, het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal humanitair recht.
 
De vredesactivist is geen utopische naïeveling, maar een reflecterend burger. Betogen is niet alleen een burgerrecht, maar vooral een protest om politici eraan te herinneren dat hun ‘onderdanen’ geen onmondige burgers en geen dronevlees zijn.
 
De betoging op zondag 14 juni in Brussel wordt een memorabele dag voor een nobel streefdoel. Vrede.
 
 
Door: Réginald Moreels, humanitair chirurg, gewezen minister en vredesactivist, & Rik Pinxten, professor emeritus antropologie en activist voor ethisch samenleven. 
 
 
 
 

 


 

 

Voor welzijn Tegen oorlog

 Europa plant 800 miljard euro extra voor wapens. Onze zorg, onderwijs, klimaat en sociale bescherming komen zwaar onder druk te staan. Op 14 juni vragen we om te kiezen voor vrede, sociale rechtvaardigheid, en investeringen in mensen!





6.09.2026

"Onderzoek doen naar religie is complex: simplisme over moslims zal ons niet verder helpen"

Arabist An Van Raemdonck (VUB en UGent) schreef een raak opiniestuk in Knack.  Ze reageerde op het ronduit trieste interview met Ruud Koopmans in Knack over migratie en integratie.

 

Kwalitatief en antropologisch onderzoek laat zien dat religiositeit onder moslimminderheden enorm varieert. Religiositeit biedt vaak precies een mentale en spirituele buffer en krachtbron om constructief samenleven mogelijk te maken en om met racisme en discriminatie om te gaan.



 

"De disciplinering van de armen, van Vives tot de actieve welvaartsstaat"

Vandaag een zeer lezenswaardige column over de Sociale Zekerheid, haar wortels en haar toekomst. Jan Dumolyn heeft dit in het kader van zijn vaste column Tragedie & Klucht in De Standaard.

 


 

 

 

De disciplinering van de armen, een geschiedenis van Juan Luis Vives tot de actieve welvaartsstaat van Frank Vandenbroucke

 

Het evenwicht in de sociale zekerheid is zoek, schrijft Jan Dumolyn. De nadruk ligt voor werklozen op sancties, terwijl ondernemers gunstregimes krijgen.

 

In 1526 publiceerde de humanist Juan Luis Vives De Subventione Pauperum, een traktaat over armenzorg. Vives, vandaag vooral bekend van de West-Vlaamse hogeschool die zijn naam draagt, woonde toen in Brugge. Als afstammeling van Valenciaanse Joden was hij voor de inquisitie naar Vlaanderen gevlucht. Zijn werk geldt als een van de eerste systematische teksten over wat we nu sociaal beleid zouden noemen. Armenzorg moest volgens de geleerde worden gecoördineerd door de stedelijke overheid, niet door verspreide liefdadigheid van particulieren en religieuze instellingen.

 

Behoeftigen moesten worden geregistreerd en ingedeeld naargelang ze al dan niet konden werken. Vives pleitte weliswaar voor de waardigheid van de armen, maar zijn voorstel, dat alleen in Ieper gedeeltelijk werd toegepast, betekende in de praktijk een vorm van disciplinering. Het idee dat armoede voortkwam uit luiheid en dat armen tot arbeid moesten worden aangezet of gedwongen, vond weerklank bij de elites en verspreidde zich tijdens de vroegmoderne periode over heel Europa.

 

In de vroegste samenlevingen vormde de familie het belangrijkste vangnet. In de oudheid bestonden soms beperkte vormen van publieke ondersteuning, zoals de Romeinse graanbedelingen die sociale onrust moesten voorkomen. Onder invloed van het christendom ontstond later een meer gestructureerde armenzorg. Kerken deelden voedsel uit, verzorgden zieken en boden onderdak aan reizigers en behoeftigen. Die christelijke caritas was echter niet gebaseerd op een recht op ondersteuning, maar eerder op het idee dat de rijken via aalmoezen hun zielenheil konden verzekeren.

 

In de middeleeuwen groeide bovendien het onderscheid tussen “waardige” armen, zoals mensen met een beperking, en “onwaardige” armen, zoals landlopers en gezonde werklozen. De zakaat, een van de vijf zuilen van de islam, had een verplichtender karakter: elke moslim die het zich kan veroorloven, moet volgens religieuze voorschriften bijdragen aan de ondersteuning van behoeftigen. Maar ook dat was geen moderne vorm van sociale zekerheid of structurele armoedebestrijding. Vanuit dat perspectief oogt een hedendaags, sterk gehypet initiatief als De Warmste Week eerder als een trieste stap achteruit.

 


Armenbussen

 

Want naast die paternalistische en caritatieve logica bestaat al eeuwen een andere visie op sociale zorg: het principe van het wederzijdse dienstbetoon. In de middeleeuwse en vroegmoderne steden kreeg onderlinge solidariteit vorm binnen de ambachtsgilden. Via gezamenlijke kassen, de zogenaamde “bussen”, spaarden leden voor ondersteuning bij ziekte, ouderdom of overlijden. Zo ontstond een vroege vorm van sociale verzekering van onderuit, zij het beperkt tot de eigen beroepsgroep en onderhevig aan morele regels. Een steenkapper die dronken van zijn stelling viel, kon bijvoorbeeld geen beroep doen op de armenbus.

 

Met de opkomst van het kapitalisme kwamen de gilden steeds meer onder druk te staan. Zo verdwenen veel traditionele beschermingsmechanismen zonder dat daar meteen volwaardige alternatieven voor in de plaats kwamen. De nadruk op controle en disciplinering van de ellendelingen, die al bij Vives aanwezig was, werd verder veralgemeend. Naar Hollands voorbeeld ontstonden in vele steden rasphuizen voor mannen, waar hout werd geraspt voor de verfindustrie, en spinhuizen voor vrouwen. Daar werden bedelaars en werkonwilligen aan dwangarbeid onderworpen. Ook in Gent werd in 1773 zo’n rasphuis opgericht. Het stervormige gebouw liet toe dat bewakers alle vleugels konden overzien. Lieven Bauwens, de held uit onze vaderlandse geschiedenis, liet de gevangenen tegen minimale voeding dwangarbeid verrichten, maar werd er uiteindelijk buitengezet, omdat de brutaliteit van deze entrepreneur zelfs naar de normen van zijn tijd te ver ging.

 

Arbeiders begonnen opnieuw zelf organisaties op te richten, waarin ze geld bijeenbrachten voor ziekte, werkloosheid en overlijden. Samen met vakverenigingen en coöperaties vormden die onderlinge fondsen de basis van de sociale zekerheid, die zich in België niet in de eerste plaats als een centraal overheidsproject ontwikkelde maar als een netwerk van initiatieven van onderop. Het systeem dat vanaf 1944 door staatsman Achiel Van Acker in het sociaal pact werd verankerd, combineerde uiteindelijk universele dekking met verplichte bijdragen, in een samenwerking tussen werkgevers, werknemers en de staat. Het was een historisch compromis tussen arbeid en kapitaal.

 


‘Actieve welvaartsstaat’

 

Dat compromis steunde echter op de uitzonderlijke economische groei van de naoorlogse decennia. Toen die hoogconjunctuur vanaf de crisis van de jaren 70 begon te haperen, kwam ook het fundament van de klassieke welvaartsstaat onder druk te staan. Tegen het einde van de twintigste eeuw herijkten de partijen die dat model hadden gedragen – ook de christendemocratie – hun aanpak, met de ‘actieve welvaartsstaat’ als nieuw sleutelbegrip. In België was en is Frank Vandenbroucke een van de belangrijkste pleitbezorgers van die visie. Het kernidee is eenvoudig: de welvaartsstaat kan alleen overeind blijven als mensen meer verantwoordelijkheid opnemen om actief deel te nemen aan de arbeidsmarkt. Hen streng tot werken aanzetten verschaft niet alleen inkomsten voor het sociale stelsel, maar beperkt ook het misbruik van sociale voorzieningen. Die redenering heeft onmiskenbaar een zekere logica.

 

Het zou uiteraard overdreven zijn om die benadering te vergelijken met de rasphuizen en spinhuizen van weleer. Toch valt op hoe de nadruk geleidelijk verschuift van solidariteit naar controle. De manier waarop langdurig zieken door sommige politici vandaag worden afgeschilderd heeft dan ook veel kritiek uitgelokt. Rond dat thema lijkt een bredere ideologische campagne op gang, waarin het beeld van de zogenaamd langdurige sociale profiteurs – ondanks hun beperkte aantal in de reële statistieken – weer helemaal centraal staat. 

 

Fraude moet absoluut worden aangepakt om een blijvend draagvlak voor ons sociaal model te behouden, maar de morele asymmetrie in het debat over activeringsprikkels is opvallend. Voor werklozen en zieken ligt de nadruk op sancties en gedragssturing. Voor ondernemers daarentegen worden incentives gecreëerd via lastenverlagingen en gunstregimes, en vaak ook minnelijke schikkingen of zelfs fiscale amnestie. Het contrast is moeilijk te negeren. In 2025 werd ongeveer 120 miljoen euro aan sociale uitkeringsfraude teruggevorderd, een bedrag dat veel aandacht krijgt. Maar wanneer in één bekend dossier een grote ondernemer 66 miljoen euro via belastingparadijzen aan de fiscus onttrekt, blijft de maatschappelijke verontwaardiging merkbaar beperkter. Nochtans zouden dergelijke bedragen een aanzienlijk sociaal programma kunnen financieren.

 

Tegelijk wordt de financiering van de sociale zekerheid al decennialang stapsgewijs uitgehold. Verlagingen van de patronale bijdragen hebben de inkomstenbasis verzwakt. Ook de recente uitbreiding van flexi-jobs, waarop dus geen sociale bijdragen worden betaald, dreigt op lange termijn een catastrofale hypotheek op het systeem te leggen. Ondertussen neemt het aandeel van kapitaalinkomsten in de totale welvaart toe, terwijl hun bijdrage aan de sociale zekerheid beperkt blijft. Ook een strengere aanpak van fiscale fraude zou aanzienlijk meer middelen kunnen opleveren. Toch daalde de opbrengst van de Bijzondere Belastinginspectie dit jaar met een derde. De politieke prioriteiten lijken elders te liggen. Het laaghangende fruit zit bij die aloude misérables en dus disciplineren we opnieuw de armen.