6.09.2026

"Onderzoek doen naar religie is complex: simplisme over moslims zal ons niet verder helpen"

Arabist An Van Raemdonck (VUB en UGent) schreef een raak opiniestuk in Knack.  Ze reageerde op het ronduit trieste interview met Ruud Koopmans in Knack over migratie en integratie.

 

Kwalitatief en antropologisch onderzoek laat zien dat religiositeit onder moslimminderheden enorm varieert. Religiositeit biedt vaak precies een mentale en spirituele buffer en krachtbron om constructief samenleven mogelijk te maken en om met racisme en discriminatie om te gaan.



 

"De disciplinering van de armen, van Vives tot de actieve welvaartsstaat"

Vandaag een zeer lezenswaardige column over de Sociale Zekerheid, haar wortels en haar toekomst. Jan Dumolyn heeft dit in het kader van zijn vaste column Tragedie & Klucht in De Standaard.

 


 

 

 

De disciplinering van de armen, een geschiedenis van Juan Luis Vives tot de actieve welvaartsstaat van Frank Vandenbroucke

 

Het evenwicht in de sociale zekerheid is zoek, schrijft Jan Dumolyn. De nadruk ligt voor werklozen op sancties, terwijl ondernemers gunstregimes krijgen.

 

In 1526 publiceerde de humanist Juan Luis Vives De Subventione Pauperum, een traktaat over armenzorg. Vives, vandaag vooral bekend van de West-Vlaamse hogeschool die zijn naam draagt, woonde toen in Brugge. Als afstammeling van Valenciaanse Joden was hij voor de inquisitie naar Vlaanderen gevlucht. Zijn werk geldt als een van de eerste systematische teksten over wat we nu sociaal beleid zouden noemen. Armenzorg moest volgens de geleerde worden gecoördineerd door de stedelijke overheid, niet door verspreide liefdadigheid van particulieren en religieuze instellingen.

 

Behoeftigen moesten worden geregistreerd en ingedeeld naargelang ze al dan niet konden werken. Vives pleitte weliswaar voor de waardigheid van de armen, maar zijn voorstel, dat alleen in Ieper gedeeltelijk werd toegepast, betekende in de praktijk een vorm van disciplinering. Het idee dat armoede voortkwam uit luiheid en dat armen tot arbeid moesten worden aangezet of gedwongen, vond weerklank bij de elites en verspreidde zich tijdens de vroegmoderne periode over heel Europa.

 

In de vroegste samenlevingen vormde de familie het belangrijkste vangnet. In de oudheid bestonden soms beperkte vormen van publieke ondersteuning, zoals de Romeinse graanbedelingen die sociale onrust moesten voorkomen. Onder invloed van het christendom ontstond later een meer gestructureerde armenzorg. Kerken deelden voedsel uit, verzorgden zieken en boden onderdak aan reizigers en behoeftigen. Die christelijke caritas was echter niet gebaseerd op een recht op ondersteuning, maar eerder op het idee dat de rijken via aalmoezen hun zielenheil konden verzekeren.

 

In de middeleeuwen groeide bovendien het onderscheid tussen “waardige” armen, zoals mensen met een beperking, en “onwaardige” armen, zoals landlopers en gezonde werklozen. De zakaat, een van de vijf zuilen van de islam, had een verplichtender karakter: elke moslim die het zich kan veroorloven, moet volgens religieuze voorschriften bijdragen aan de ondersteuning van behoeftigen. Maar ook dat was geen moderne vorm van sociale zekerheid of structurele armoedebestrijding. Vanuit dat perspectief oogt een hedendaags, sterk gehypet initiatief als De Warmste Week eerder als een trieste stap achteruit.

 


Armenbussen

 

Want naast die paternalistische en caritatieve logica bestaat al eeuwen een andere visie op sociale zorg: het principe van het wederzijdse dienstbetoon. In de middeleeuwse en vroegmoderne steden kreeg onderlinge solidariteit vorm binnen de ambachtsgilden. Via gezamenlijke kassen, de zogenaamde “bussen”, spaarden leden voor ondersteuning bij ziekte, ouderdom of overlijden. Zo ontstond een vroege vorm van sociale verzekering van onderuit, zij het beperkt tot de eigen beroepsgroep en onderhevig aan morele regels. Een steenkapper die dronken van zijn stelling viel, kon bijvoorbeeld geen beroep doen op de armenbus.

 

Met de opkomst van het kapitalisme kwamen de gilden steeds meer onder druk te staan. Zo verdwenen veel traditionele beschermingsmechanismen zonder dat daar meteen volwaardige alternatieven voor in de plaats kwamen. De nadruk op controle en disciplinering van de ellendelingen, die al bij Vives aanwezig was, werd verder veralgemeend. Naar Hollands voorbeeld ontstonden in vele steden rasphuizen voor mannen, waar hout werd geraspt voor de verfindustrie, en spinhuizen voor vrouwen. Daar werden bedelaars en werkonwilligen aan dwangarbeid onderworpen. Ook in Gent werd in 1773 zo’n rasphuis opgericht. Het stervormige gebouw liet toe dat bewakers alle vleugels konden overzien. Lieven Bauwens, de held uit onze vaderlandse geschiedenis, liet de gevangenen tegen minimale voeding dwangarbeid verrichten, maar werd er uiteindelijk buitengezet, omdat de brutaliteit van deze entrepreneur zelfs naar de normen van zijn tijd te ver ging.

 

Arbeiders begonnen opnieuw zelf organisaties op te richten, waarin ze geld bijeenbrachten voor ziekte, werkloosheid en overlijden. Samen met vakverenigingen en coöperaties vormden die onderlinge fondsen de basis van de sociale zekerheid, die zich in België niet in de eerste plaats als een centraal overheidsproject ontwikkelde maar als een netwerk van initiatieven van onderop. Het systeem dat vanaf 1944 door staatsman Achiel Van Acker in het sociaal pact werd verankerd, combineerde uiteindelijk universele dekking met verplichte bijdragen, in een samenwerking tussen werkgevers, werknemers en de staat. Het was een historisch compromis tussen arbeid en kapitaal.

 


‘Actieve welvaartsstaat’

 

Dat compromis steunde echter op de uitzonderlijke economische groei van de naoorlogse decennia. Toen die hoogconjunctuur vanaf de crisis van de jaren 70 begon te haperen, kwam ook het fundament van de klassieke welvaartsstaat onder druk te staan. Tegen het einde van de twintigste eeuw herijkten de partijen die dat model hadden gedragen – ook de christendemocratie – hun aanpak, met de ‘actieve welvaartsstaat’ als nieuw sleutelbegrip. In België was en is Frank Vandenbroucke een van de belangrijkste pleitbezorgers van die visie. Het kernidee is eenvoudig: de welvaartsstaat kan alleen overeind blijven als mensen meer verantwoordelijkheid opnemen om actief deel te nemen aan de arbeidsmarkt. Hen streng tot werken aanzetten verschaft niet alleen inkomsten voor het sociale stelsel, maar beperkt ook het misbruik van sociale voorzieningen. Die redenering heeft onmiskenbaar een zekere logica.

 

Het zou uiteraard overdreven zijn om die benadering te vergelijken met de rasphuizen en spinhuizen van weleer. Toch valt op hoe de nadruk geleidelijk verschuift van solidariteit naar controle. De manier waarop langdurig zieken door sommige politici vandaag worden afgeschilderd heeft dan ook veel kritiek uitgelokt. Rond dat thema lijkt een bredere ideologische campagne op gang, waarin het beeld van de zogenaamd langdurige sociale profiteurs – ondanks hun beperkte aantal in de reële statistieken – weer helemaal centraal staat. 

 

Fraude moet absoluut worden aangepakt om een blijvend draagvlak voor ons sociaal model te behouden, maar de morele asymmetrie in het debat over activeringsprikkels is opvallend. Voor werklozen en zieken ligt de nadruk op sancties en gedragssturing. Voor ondernemers daarentegen worden incentives gecreëerd via lastenverlagingen en gunstregimes, en vaak ook minnelijke schikkingen of zelfs fiscale amnestie. Het contrast is moeilijk te negeren. In 2025 werd ongeveer 120 miljoen euro aan sociale uitkeringsfraude teruggevorderd, een bedrag dat veel aandacht krijgt. Maar wanneer in één bekend dossier een grote ondernemer 66 miljoen euro via belastingparadijzen aan de fiscus onttrekt, blijft de maatschappelijke verontwaardiging merkbaar beperkter. Nochtans zouden dergelijke bedragen een aanzienlijk sociaal programma kunnen financieren.

 

Tegelijk wordt de financiering van de sociale zekerheid al decennialang stapsgewijs uitgehold. Verlagingen van de patronale bijdragen hebben de inkomstenbasis verzwakt. Ook de recente uitbreiding van flexi-jobs, waarop dus geen sociale bijdragen worden betaald, dreigt op lange termijn een catastrofale hypotheek op het systeem te leggen. Ondertussen neemt het aandeel van kapitaalinkomsten in de totale welvaart toe, terwijl hun bijdrage aan de sociale zekerheid beperkt blijft. Ook een strengere aanpak van fiscale fraude zou aanzienlijk meer middelen kunnen opleveren. Toch daalde de opbrengst van de Bijzondere Belastinginspectie dit jaar met een derde. De politieke prioriteiten lijken elders te liggen. Het laaghangende fruit zit bij die aloude misérables en dus disciplineren we opnieuw de armen.

 


 

6.07.2026

de Ongelooflijke Podcast met Maarten van Rossem

Op deze zondag een podcast. De Ongelooflijke Podcast is steeds zeer interessant, met een breed spectrum van gasten die de nodige tijd krijgen om in te gaan op boeiende kwestie over onze samenleving en zinsgevingsvraagstukken. 

Vandaag Maarten van Rossem over de toestand van de wereld, Trump, de grootmachten, de positie van Europa. Maar ook over de zin van het leven en het belang van grote en kleine verhalen. 

 

 


Veel luisterplezier


6.04.2026

"Zonder middenveld zelfs geen N-VA"

De aanvallen van de neoliberale partijen op de mutualiteiten van de afgelopen tijd waren serieus. Verkocht als "effectiëntieoefening" is het een frontale aanval op het middenveld. Het middenveld is een essentieel deel van ons maatschappelijk weefsel, het is een pijler van onze verzorgingsstaat en een stevige verdedigingsmuur tegen neoliberale kaalslag. Miranda Ulens van ABVV kroop in haar pen en schreef een excellent opiniestuk.

 

 

Vlaams minister-president Matthias Diependaele stelt dat het middenveld een verdienmodel geworden is. Hij vergeet daarbij wie Vlaanderen welvarend heeft gemaakt, stelt Miranda Ulens.

 

We kennen het verhaal. Meer dan honderd jaar geleden was de Vlaming arm. Geen dokter als het kind ziek werd, geen loon als de fabriek sloot. Geen pensioen als het lichaam op was. Hij sprak een taal die in de rechtbank, op de universiteit en in het bedrijf nauwelijks meetelde. Hij stond onderaan, en zowat alles was erop gericht om hem daar te houden.

 

Hij is daar niet alleen uitgeraakt, en zeker niet met dank aan de markt. Hij raakte eruit omdat hij zich organiseerde. Kijk naar Gent, naar mijn eigen traditie. Daar bouwde Edward Anseele vanaf 1880 een wereld op uit het niets. Dankzij de coöperatieve bakkerij Vooruit had de arbeider brood. Met de Bond Moyson kwam er een ziekenkas. Er kwam nog meer: een bank, een feestlokaal, een krant.

 

August Vermeylen schreef rond 1900 dat we “Vlamingen moesten zijn om Europeërs te worden”. Hij maakte van de ontvoogding een culturele zaak, een kwestie van waardigheid, en verbond ze met de sociale strijd. De vernederlandsing van de universiteit, het recht om in de eigen taal te leren en te denken: dat is allemaal niet uit de lucht komen vallen, dat is bevochten. Door verenigingen, door de arbeidersbeweging, door wat we vandaag het middenveld noemen.

 

De sociale zekerheid die in 1944 werd vastgelegd, draaide niet rond een ministerie, maar rond die organisaties. De mutualiteit betaalt tot vandaag je terugbetaling uit. De vakbond beheert, via het Gentse stelsel, je werkloosheidsuitkering.

 

Het was een hele groep die zich via het collectief verhief, en daarbij was solidariteit geen gevoel, maar een techniek. Dat is de kern die minister-president Diependaele in Ninove wat gratuit oversloeg (DS 3 juni). De Vlaming is niet rijk geworden ondanks zijn vakbonden, mutualiteiten en verenigingen. Hij is rijk geworden dankzij hen. De zuilen als ladder.

 


Nieuwe hoofdrolspeler

 

Maar ergens in de jaren 70 kantelde dat verhaal. Na de gouden jaren 60 was Vlaanderen welvarend geworden. De Waalse zware industrie liep leeg, het zwaartepunt verschoof naar het noorden, en de armoede van de grootouders werd een herinnering. Er kwam een nieuwe hoofdrolspeler in beeld, en het was niet langer de arbeider. Het was de ondernemer.

 

Ook dat werd georganiseerd, met evenveel toewijding als waarmee Anseele zijn bakkerij had gebouwd. Figuren als Vaast Leysen en René De Feyter maakte van het Vlaams Economisch Verbond de strijdstem van de Vlaamse werkgevers. Ondernemerschap werd aan Vlaamse autonomie gekoppeld, het werd de kiem voor wat later Voka zou worden. Er kwam een eigen pers bij. De Financieel-Economische Tijd, in 1968 opgericht door het VEV. Trends in 1975, naar het model van het Amerikaanse Forbes, met de Vlaams-nationalist Lode Claes als eerste directeur. Zo kreeg de Vlaamse ondernemer een taal, en een blad, een eigen verhaal. 

 

Met de ondernemer als held werd individualisering de maat van alle dingen. Maar dat gaat voorbij aan alles wat dat individu heeft gevormd. De school, de wegen, openbare diensten, de zorg die anderen voor hem hebben gebouwd. Het collectief, het middenveld.

 

Er is niets mis mee, met ondernemen. Een land mag rijk worden, mag trots zijn op wie iets opbouwt. Het probleem is wat er met het geheugen is gebeurd. Hoe welvarender Vlaanderen werd, hoe meer het middenveld dat het had grootgebracht, als ballast begon te klinken. De ladder werd, voor wie bovenaan stond, een blok aan het been.

 


Demonisering

 

De N-VA is een politiek kind van dat rijkere, zelfbewuste Vlaanderen. Philippe Muyters stapte recht van de directie van Voka naar een ministerpost voor de N-VA. Johan Van Overtveldt ging van de redactie van Trends naar het ministerie van Financiën. En Bart De Wever heeft ooit, in een onbewaakt moment, gezegd dat Voka zijn echte baas is.

 

En nu heeft de N-VA een broertje dood aan het middenveld. De naoorlogse groei werkte net omdat dat middenveld mee aan tafel zat. Dat bouwt de N-VA stuk voor stuk af, vanuit een nationalistisch mensbeeld dat geen verschil verdraagt. Geen dialoog meer met kritische stemmen, wel demonisering, in de hoop dat de leden zwijgzaam meemarcheren. Diependaele wijst naar beneden. Naar het ziekenfonds, de vakbond, de vereniging die een subsidie krijgt. Zo droogt de kracht uit dat rijke middenveld op tot een dwangbuis van het eigen gelijk.

 

Maar het zijn de gewone mensen die deze welvaart steen na steen hebben opgebouwd. En precies daarom mag je hen niet uitspelen tegen wie het vandaag niet redt. Het is die solidariteit die wordt vergeten bij de Diependaeles van deze wereld. Diependaele zei: tijd om over te stappen. Ik zou zeggen: tijd om zich te herinneren via welke ladder we hier zijn geraakt. Zeker nu men gretig aan de poten ervan zaagt.