De aanvallen van de neoliberale partijen op de mutualiteiten van de afgelopen tijd waren serieus. Verkocht als "effectiëntieoefening" is het een frontale aanval op het middenveld. Het middenveld is een essentieel deel van ons maatschappelijk weefsel, het is een pijler van onze verzorgingsstaat en een stevige verdedigingsmuur tegen neoliberale kaalslag. Miranda Ulens van ABVV kroop in haar pen en schreef een excellent opiniestuk.
Vlaams minister-president Matthias Diependaele stelt dat het
middenveld een verdienmodel geworden is. Hij vergeet daarbij wie
Vlaanderen welvarend heeft gemaakt, stelt Miranda Ulens.
We kennen het verhaal. Meer dan honderd jaar geleden was de
Vlaming arm. Geen dokter als het kind ziek werd, geen loon als de
fabriek sloot. Geen pensioen als het lichaam op was. Hij sprak een taal
die in de rechtbank, op de universiteit en in het bedrijf nauwelijks
meetelde. Hij stond onderaan, en zowat alles was erop gericht om hem
daar te houden.
Hij is daar niet alleen uitgeraakt, en zeker niet
met dank aan de markt. Hij raakte eruit omdat hij zich organiseerde.
Kijk naar Gent, naar mijn eigen traditie. Daar bouwde Edward Anseele
vanaf 1880 een wereld op uit het niets. Dankzij de coöperatieve bakkerij
Vooruit had de arbeider brood. Met de Bond Moyson kwam er een
ziekenkas. Er kwam nog meer: een bank, een feestlokaal, een krant.
August
Vermeylen schreef rond 1900 dat we “Vlamingen moesten zijn om Europeërs
te worden”. Hij maakte van de ontvoogding een culturele zaak, een
kwestie van waardigheid, en verbond ze met de sociale strijd. De
vernederlandsing van de universiteit, het recht om in de eigen taal te
leren en te denken: dat is allemaal niet uit de lucht komen vallen, dat
is bevochten. Door verenigingen, door de arbeidersbeweging, door wat we
vandaag het middenveld noemen.
De sociale zekerheid die in 1944
werd vastgelegd, draaide niet rond een ministerie, maar rond die
organisaties. De mutualiteit betaalt tot vandaag je terugbetaling uit.
De vakbond beheert, via het Gentse stelsel, je werkloosheidsuitkering.
Het
was een hele groep die zich via het collectief verhief, en daarbij was
solidariteit geen gevoel, maar een techniek. Dat is de kern die
minister-president Diependaele in Ninove wat gratuit oversloeg (DS 3 juni).
De Vlaming is niet rijk geworden ondanks zijn vakbonden, mutualiteiten
en verenigingen. Hij is rijk geworden dankzij hen. De zuilen als ladder.
Nieuwe hoofdrolspeler
Maar
ergens in de jaren 70 kantelde dat verhaal. Na de gouden jaren 60 was
Vlaanderen welvarend geworden. De Waalse zware industrie liep leeg, het
zwaartepunt verschoof naar het noorden, en de armoede van de grootouders
werd een herinnering. Er kwam een nieuwe hoofdrolspeler in beeld, en
het was niet langer de arbeider. Het was de ondernemer.
Ook dat
werd georganiseerd, met evenveel toewijding als waarmee Anseele zijn
bakkerij had gebouwd. Figuren als Vaast Leysen en René De Feyter maakte
van het Vlaams Economisch Verbond de strijdstem van de Vlaamse
werkgevers. Ondernemerschap werd aan Vlaamse autonomie gekoppeld, het
werd de kiem voor wat later Voka zou worden. Er kwam een eigen pers bij.
De Financieel-Economische Tijd, in 1968 opgericht door het VEV. Trends in 1975, naar het model van het Amerikaanse Forbes,
met de Vlaams-nationalist Lode Claes als eerste directeur. Zo kreeg de
Vlaamse ondernemer een taal, en een blad, een eigen verhaal.
Met
de ondernemer als held werd individualisering de maat van alle dingen.
Maar dat gaat voorbij aan alles wat dat individu heeft gevormd. De
school, de wegen, openbare diensten, de zorg die anderen voor hem hebben
gebouwd. Het collectief, het middenveld.
Er is niets mis mee, met
ondernemen. Een land mag rijk worden, mag trots zijn op wie iets
opbouwt. Het probleem is wat er met het geheugen is gebeurd. Hoe
welvarender Vlaanderen werd, hoe meer het middenveld dat het had
grootgebracht, als ballast begon te klinken. De ladder werd, voor wie
bovenaan stond, een blok aan het been.
Demonisering
De
N-VA is een politiek kind van dat rijkere, zelfbewuste Vlaanderen.
Philippe Muyters stapte recht van de directie van Voka naar een
ministerpost voor de N-VA. Johan Van Overtveldt ging van de redactie van
Trends naar het ministerie van Financiën. En Bart De Wever heeft ooit, in een onbewaakt moment, gezegd dat Voka zijn echte baas is.
En
nu heeft de N-VA een broertje dood aan het middenveld. De naoorlogse
groei werkte net omdat dat middenveld mee aan tafel zat. Dat bouwt de
N-VA stuk voor stuk af, vanuit een nationalistisch mensbeeld dat geen
verschil verdraagt. Geen dialoog meer met kritische stemmen, wel
demonisering, in de hoop dat de leden zwijgzaam meemarcheren.
Diependaele wijst naar beneden. Naar het ziekenfonds, de vakbond, de
vereniging die een subsidie krijgt. Zo droogt de kracht uit dat rijke
middenveld op tot een dwangbuis van het eigen gelijk.
Maar het
zijn de gewone mensen die deze welvaart steen na steen hebben opgebouwd.
En precies daarom mag je hen niet uitspelen tegen wie het vandaag niet
redt. Het is die solidariteit die wordt vergeten bij de Diependaeles van
deze wereld. Diependaele zei: tijd om over te stappen. Ik zou zeggen:
tijd om zich te herinneren via welke ladder we hier zijn geraakt. Zeker
nu men gretig aan de poten ervan zaagt.
