7.18.2026

Albert Derolez (1934-2026), de man die middeleeuwse handschriften tot leven bracht

Vorige week overleed Albert Derolez, expert middeleeuwse handschriften. Zijn naam is onlosmakelijk verbonden met het Liber Floridus.

 

Albert Derolez werd geboren in 1934. Na zijn middelbare studies koos hij voor geschiedenis aan de Universiteit Gent, waar hij met grote onderscheiding afstudeerde. Tijdens zijn opleiding groeide zijn belangstelling voor de middeleeuwen en voor oude handschriften. Als jonge onderzoeker begon hij middeleeuwse boekenlijsten uit België op te sporen en uit te geven. Dat omvangrijke project mondde uit in het Corpus Catalogorum Belgii, een standaardwerk waaraan hij tientallen jaren bleef werken.

 

In 1962 later trad hij in dienst van de Universiteitsbibliotheek Gent als bibliothecaris van de afdeling Handschriften en Kostbare Werken. Daar zou hij uitgroeien tot dé bezieler van de wetenschappelijke ontsluiting van de rijke handschriftencollectie. In 1971 verscheen een eerste beknopte catalogus van de middeleeuwse handschriften, gevolgd door de volledige inventaris in 1977. Daarmee legde hij de basis voor het moderne onderzoek naar de Gentse collectie.


Zijn internationale doorbraak kwam er dankzij het Liber Floridus, de encyclopedie die kanunnik Lambertus van Sint-Omaars in 1121 samenstelde. Ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van de Gentse universiteit verzorgde Derolez in 1968 een facsimile-uitgave van het handschrift. Zijn diepgaand onderzoek leidde in 1970 tot een doctoraat, bekroond met de grootste onderscheiding. In de daaropvolgende decennia bleef hij het handschrift bestuderen. Zijn onderzoek bereikte een hoogtepunt met The Making and Meaning of the Liber Floridus (2014), internationaal beschouwd als het standaardwerk over dit meesterwerk. Nog in maart 2025 stelde hij in de Boekentoren zijn publieksboek Liber Floridus. De oudste geïllustreerde encyclopedie voor.

 

Zijn belangstelling beperkte zich echter niet tot één handschrift. Hij onderzocht ook talrijke andere middeleeuwse codices, waaronder werken van Hildegard van Bingen, en verwierf internationale faam door zijn studies over het ontstaan van boeken, boekbanden en middeleeuwse schriften. Een twaalf jaar durend onderzoek in Italiaanse en andere Europese bibliotheken resulteerde in een baanbrekend werk over humanistische handschriften. Zijn handboek The Palaeography of Gothic Manuscript Books (2003) groeide wereldwijd uit tot een standaardreferentie.

 

Ook na zijn pensionering bleef hij onvermoeibaar actief. Tussen 2015 en 2017 nam hij de volledige Gentse handschriftencollectie opnieuw onder handen. Het resultaat was de wetenschappelijke catalogus Medieval Manuscripts. Ghent University Library (2017), waarvan de beschrijvingen vandaag nog steeds de basis vormen van de online catalogus van de Universiteitsbibliotheek.

 

Albert Derolez overleed op 11 juli 2026, op 91-jarige leeftijd.

 

In 1974 schreef hij voor Ghendtsche Tydinghen een interessant en artikel, "Het dagboek van een Gents rentenier en zijn belang voor het muziekleven in Vlaanderen rond 1800.”

 

HET DAGBOEK VAN EEN GENTS RENTENIER EN ZIJN BELANG VOOR HET MUZIEKLEVEN IN VLAANDEREN ROND 1800

Indien iemand een beeld zou willen schetsen van de onbenulligheid van het leven van de rijke bourgeoisie in de Zuidelijke Nederlanden op het einde van de 18e en in het begin van de 19e eeuw, dan zou hij dat niet beter kunnen doen dan aan de hand van enkele citaten uit het dagboek van Gilles-Lucas-Guillaume Schamp de Romrée. 

Schamp was lid van een zeer vermogende Gentse familie. Hij werd geboren te Gent in 1764 en stierf er in 1846. Zijn vader, die in het stadsbestuur een belangrijke rol speelde, was een vooraanstaand kunstliefhebber, die van de afschaffing van een groot aantal kloosters door Jozef II en van der verkoop van de nationale goederen door de Franse Republiek duchtig gebruik heeft gemaakt om zijn private collectie schilderijen uit te breiden. 

De kunstverzameling kwam na zijn overlijden in handen van Jean-Gilles Schamp, gekend onder de naam Schamp d'Aveschoot (1765-1839), de broer van onze dagboekschrijver; deze laatste nam als bijvoegsel bij zijn familienaam de Romrée. In 1840 werd zij openbaar verkocht voor een veel te lage prijs en de kunstwerken gingen voor het allergrootste deel buitenlandse verzamelingen verrijken één van de vele voorbeelden van Vlaamse kunstcollecties die in de 19e eeuw (en in het begin van de 20e) ons land hebben verlaten. Een idee van de waarde van het geheel krijgt men, als men verneemt dat de collectie niet minder dan 58 schilderijen van Rubens en 22 werken van Van Dyck zou hebben omvat. 

Zowel Schamp de Romrée als zijn broer bezaten een hotel in de Veldstraat, en daar hebben zij het grootste deel van hun leven doorgebracht. Schamp de Romrée, die vijf verschillende regimes heeft meegemaakt: de Oostenrijkse tijd, de Franse Republiek, het Keizerrijk, het Verenigd Koninkrijk en onafhankelijk België, blijkt door de wisselende veranderingen van de politiek nauwelijks beroerd te zijn geworden. 

In de kleine halve eeuw die zijn dagboeken omspannen schijnt zijn levenswijze en zijn denken - voor zover er van dit vermogen bij hem kan gesproken worden - onveranderd te zijn gebleven. De politieke gebeurtenissen interesseren hem slechts indien zij met spectaculaire voorvallen gepaard gaan. Zoals Stroobant het destijds reeds schreef: "Les événements politiques, l'entrée des troupes, les cortèges et généralement tous les incidents à manifestations extérieures sont décrits avec un luxe de détails qui égale la complète absence d'esprit critique. C'est le journal d'un bourgeois fortuné, ayant trop de loisirs, qui assiste en spectateur, mais sans y prendre part, semble-t-il, aux événements qui se déroulent sous ses yeux".

Voor het overige zullen zijn dagen nog gevuld zijn met het afleggen van bezoeken, theevisites, het aankopen van linten voor zijn hoed, een uitstapje nu en dan, de dagelijkse wandeling door Gent - voor elke dag geeft de brave dagboekschrijver het volledig parcours aan - vaak beëindigd met een kijkje op de "Cotre". Het was niet alleen het galante publiek (dat hij overigens geregeld keurt) dat hem naar de Kouter lokte, maar vooral één van de twee enige passies die dit stille, bijna zielloze leven hebben bewogen: de muziek en de meteorologie.

 

Lees meer 

GF2026 dag 2

Vandaag wordt een slenterdag. Op het programma 1 uitschieter.

 

Middernacht Trefpunt Lalalar

 

7.17.2026

GF2026 dag 1

Gentse Feesten dag 1

Een aantal toppers van op het programma.

 

Om 20u in Baudelo: Jaune Toujours.

 

 

 

22u Trefpunt, Trixie Whitley

 

 
 
 
 
Middernacht Trefpunt - Negenduust feat. Froze, Fatih, Rick De Vik, Van Droogenbroeck, Latomski
 
 
 


 

 

 

 

 

7.15.2026

OverDruk over de onzichtbare motor van historisch onderzoek

In OverDruk, het publiekstijdschrift van Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience, staat deze editie een lezenswaardig artikel over heemkundige tijdschriften. 

 


 

 

Ik neem het hier gewoon ongegeneerd over.


 

De onzichtbare motor van historisch onderzoek
 

Worden lokale jaarboeken en tijdschriften na publicatie nog geraadpleegd? Worden ze geciteerd, ingezet in het onderwijs, gebruikt als fundament voor nieuwe boeken? Voor veel heemkundige verenigingen blijft het traject van hun publicaties na verschijning grotendeels onzichtbaar. Toch vinden die uitgaven via bibliotheekcollecties zoals die van de Erfgoedbibliotheek hun weg naar onderzoekers, studenten en auteurs. In dit gesprek brengen we drie stemmen samen: een onderzoeker-auteur, een docent aan de universiteit en een redacteur van een heemkundig tijdschrift. Zij tonen hoe de periodieken en jaarboeken daadwerkelijk worden geraadpleegd in de leeszaal, ingezet in het hoger onderwijs.


In de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience, tussen de geur van oude boeken aan de ene kant en die van verse koffie aan de andere kant, ontmoeten drie experten elkaar voor het eerst. Een korte kennismaking zet het gesprek in gang:
Reinoud Vermoesen: "Aan de Universiteit Antwerpen doceer ik statistiek, heuristiek en Historische Oefeningen. In het eerste en tweede jaar laat ik studenten bronnenonderzoek doen en op basis daarvan een publiceerbaar artikel schrijven. Mijn eigen onderzoek situeert zich in de rurale en koloniale vroegmoderne geschiedenis. Tot voor kort was ik redactiesecretaris van Het Land van Aalst. Ik geloof sterk in de wisselwerking tussen lokale geschiedenis en academisch onderzoek."
Filip Santy: "Ik ben bestuurslid van De Leiegouw. Ik werkte bij het cultureel archief KADOC en ben altijd bezig geweest met archieven, bibliotheken en erfgoed. Als vrijwilliger werk ik ook voor Stichting de Bethune. Vanuit die ervaring zie ik hoe belangrijk lokale publicaties zijn, maar ook hoe kwetsbaar hun verspreiding soms is."
Johan Vanhecke: "Mijn carrière speelde zich af in het Letterenhuis, waar ik begon als gewetensbezwaarde en mijn hele loopbaan ben gebleven. We startten al in 1985 met digitale ontsluiting van de collectie. Ik maakte tentoonstellingen, ontsloot archieven en schreef biografieën. Momenteel werk ik aan een boek met fiets-en wandelroutes rond Hendrik Conscience. Voor details doe ik regelmatig een beroep op heemkundige kringen en hun tijdschriften."


Wat vind je in heemkundige tijdschriften dat je elders niet vindt?
Johan: "Ik zit vaak met zeer specifieke vragen. Waar speelde een roman van Conscience zich precies af? Wie woonde waar? Welke familiegeschiedenissen. spelen mee? Via heemkundige tijdschriften kom ik in contact met mensen die een ongelooflijk gedetailleerde kennis hebben van hun streek. Zo wist ik dat Conscience twee maanden in een hoeve in Dessel verbleef. De plaatselijke heemkundige kring bleek nog het huurcontract te bezitten. Via hen ontdekte ik ook dat de huidige burgemeester een rechtstreekse afstammeling is van de soldaat die model stond voor kolonel Karel van Milgem in zijn roman Rikke-tikke-tak. Dat soort informatie vind je niet in standaard naslagwerken. Het is vaak detectivewerk. Zonder lokale publicaties en de mensen erachter zou ik zulke puzzelstukken niet kunnen leggen."

 

Hoe belangrijk is die lokale context in de onderwijscontext?
Reinoud: "Zeer belangrijk. ledereen spreekt vandaag over generatieve Al, maar lokale context is iets wat zulke systemen voorlopig niet Ze werken op grote datasets, maar missen de fijnmazige kennis die in heemkundige publicaties zit. Wij verplichten studenten te werken met een casestudy op basis lokale bronnen. Ze leren zo kritisch omgaan. met materiaal dat niet altijd perfect geordend is, maar wel rijk is aan detail. Dat is een fundamentele onderzoeksvaardigheid. Bijvoorbeeld: een groep studenten werkte rond dysenterie-epidemieën in 1794. Op basis van parochieregisters brachten ze demografische evoluties in kaart en koppelden die aan informatie uit andere bronnen voor de sociale profilering van de slachtoffers. Vervolgens gingen ze op zoek naar aanvullende informatie in lokale tijdschriften en jaarboeken. Het resultaat onderbouwde casestudy die niet alleen academisch relevant is, maar ook interessant kan zijn voor een lokaal tijdschrift. Zo ontstaat een wisselwerking."
 

Zijn heemkundige tijdschriften voldoende toegankelijk?
Filip: "Er zijn stappen gezet, onder meer via de artikelendatabank van Histories, maar er is nog achterstand. Wij merken bijvoorbeeld dat openbare bibliotheken abonnementen stopzetten. vaak om budgettaire redenen. Bibliotheken werken
meer samen: als de ene instelling een tijdschrift heeft, koopt de andere het niet meer aan. Dat verkleint de zichtbaarheid."
Johan: "Bij mijn biografie over Conscience had ik een uitgebreide literatuurlijst. Sommige tijdschriften vond ik eenvoudigweg niet terug. Soms zouden ze ergens aanwezig moeten zijn, maar dan blijken ze onvindbaar. Databanken zijn versnipperd en bevatten fouten. Je kan er niet altijd van uitgaan dat wat geregistreerd is, ook effectief raadpleegbaar is."
 

Is digitale ontsluiting een oplossing? Reinoud: "Bij Het Land van Aalst hebben we zeven jaar geleden beslist om volledig digitaal en open access te publiceren. Dat verlaagt de kosten en vergroot de verspreiding. We zien stijgend aantal raadplegingen. Heel wat lokale organisaties zitten op een schat aan informatie, maar maken die ontoegankelijk door ze enkel tegen betaling aan te bieden. Open vergroot de impact."
Filip: "Auteursrecht is daarbij een aandachtspunt. Dat maakt complex. Wij werken met Issuu om onze publicaties beschikbaar te maken, wat ook financiële implicaties heeft. Dat geld gaat naar een Amerikaans bedrijf. In het huidige geopolitieke klimaat kan je daar ook vragen bij stellen."
Johan: "Ik hou van boeken. Mijn huis staat er vol mee. Maar voor mijn onderzoek maakt de vorm op
zich minder uit. Digitale ontsluiting is handig. kent beperkingen. Zoekopdrachten leveren soms ruis op, zeker als je weet dat bijvoorbeeld Conscience als woord ook betekenis heeft in de Engelse en Franse taal. Bovendien is digitale beschikbaarheid geen garantie voor duurzaamheid. Websites verdwijnen, links breken. Duurzame bewaring in een erfgoedinstelling, in fysieke en/of digitale vorm, blijft belangrijk."
 

Digitale ontsluiting en fysieke bewaring combineren. Is dat de boodschap voor heemkundige verenigingen? Johan: "Mijn boodschap is: denk na over de toekomst. Wat gebeurt er als er geen opvolging is? Blijft de website bestaan? Zonder heemkundige kringen had ik mijn boek over Conscience niet kunnen. schrijven. Hun werk is geen randverschijnsel, het is fundamenteel,"
Reinoud: "Digitalisering is noodzakelijk, maar even belangrijk is structurele bewaring. Maak je werk beschikbaar voor de buitenwereld. Zorg dat het raadpleegbaar blijft in erkende instellingen. Anders riskeer je dat waardevolle kennis verloren gaat." Filip: "Er is nood aan een strategische aanpak. Hoe verzekeren we duurzame opslag van zoveel mogelijk. lokale tijdschriften? Misschien kunnen bibliotheken en Histories daar een ondersteunende rol spelen. Maar het initiatief moet ook onderuit komen."
 

Conclusie
Het gesprek maakt één zaak ondubbelzinnig duidelijk: heemkundige tijdschriften en jaarboeken worden regelmatig gebruikt. Ze worden geraadpleegd in de leeszaal, ingezet in universitaire opdrachten, verwerkt in academische publicaties. en vormen de basis nieuwe boeken. Zonder deze lokale publicaties zouden tal van onderzoeken niet mogelijk zijn. Tegelijk is die zichtbaarheid kwetsbaar. Vindbaarheid vraagt structuur. Digitale ontsluiting vergroot het bereik, maar leidt niet tot duurzame bewaring.


Door periodieke publicaties consequent in fysieke en/of digitale vorm beschikbaar te stellen aan de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience en via initiatieven zoals de artikelendatabank van Histories zichtbaar en toegankelijk te maken, verzekeren heemkundige verenigingen dat hun werk deel blijft uitmaken van het bredere kennisnetwerk. Wat lokaal wordt geschreven, krijgt zo niet alleen een plaats in de eigen gemeenschap, maar ook in het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek.



bron: OverDruk

7.14.2026

14 juli en de "pijnlijke geschiedenis"

Benoit Lannoo schreef voor Otheo, voorheen Kerk & Leven, aka het parochieblad, een tamelijk vreemd stuk over 14 juli. “Frankrijk viert op 14 juli, de Kerk herinnert zich een pijnlijke geschiedenis”.

Op zich geen misse titel. De geschiedenis van het ‘Ancien Regime’ en de rol die de Kerk speelde is inderdaad ronduit pijnlijk. Maar dat is blijkbaar niet wat hij bedoelde. 

 

De antikatholieke hetze begon direct na het uitbreken van de revolutie.

Hun geprivilegieerde positie maakte van Kerk en clerus doelwitten bij uitstek van de republikeinen. Het rooms-katholicisme was staatsgodsdienst en in 1789 waren alle bisschoppen afkomstig uit de adel. De prelaten vormden de eerste van de drie standen van de samenleving en de kerk was ’s lands grootste landbezitter, die via de tienden almaar rijker werd. Vele revolutionairen, zoals de Hébertisten van Jacques René Hébert, wilden dit alles dus eens en voorgoed zien verdwijnen. Anderen, zoals Maximilien de Robespierre en Georges Danton, waren voorzichtiger, omdat ze vreesden voor extra vijandschap voor de republiek in zowel binnen- als buitenland.


Het lijkt een pagina uit de gewijde geschiedenis uit de jaren stillekes. Daarin kregen we een harmonieuze Franse samenleving voorgespiegeld, hardhandig om zeep geholpen door rabiaat antiklerikale revolutionairen. Met bijbehorende bloedstollende taferelen over martelaren en geplunderde kerken en kloosters. Lannoo gaat gelukkig niet zo ver, maar er wordt een negatief beeld opgeroepen. 

 

 


 

Hij schrijft “Vele revolutionairen wilden dit alles dus eens en voorgoed zien verdwijnen”. Ik veronderstel dat elk weldenkend mens af wil/wou van die zaken. De standenmaatschappij was een expliciet en bewust discriminatoir maatschappelijk bestel, waarin mensen ongelijk werden behandeld, het systeem van tienden een onrechtvaardig belastingsstelsel dat veel geld onttrok aan de gewone mensen om in het kerkelijk apparaat maar vooral in de levensstijl van kerkvorsten te pompen. 

  

De Katholieke Kerk was een steunpilaar van het Franse absolutisme. Een quasi almachtige vorst omringd door een stand van grootgrondbezitters aan de top van een maatschappelijke hiërarchie gebaseerd op genadeloze uitbuiting van de boeren en omzeggens rechteloze landarbeiders, in combinatie met een koloniaal netwerk van bezette gebieden en de ronduit wreedaardige uitbuiting van de lokale bevolking én verhandelde tot slaafgemaakten. De Kerk maakte deel uit van de machtsstructuur, kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders oefenden machtsposities uit over de bevolking, leidden legers, spraken recht, bevalen martelingen en executies. Frankrijk had rabiaat onverdraagzame wetten en was een ronduit gevaarlijk land voor religieuze maar ook politieke, etnisch-culturele, seksuele en genderminderheden. 

 

Je kan geen beeld schetsen van de Franse revolutie, inclusief haar duistere kanten, zonder ook de ronduit sinistere rol van de Kerk voor de revolutie te belichten. 

 

Ja, er waren duistere kanten aan de revolutie en ja, er waren geestelijken die ijverden voor een democratisch Frankrijk. Maar de Kerk zelf stond expliciet aan de kant van de koningen en de adel. De Kerk zelf stond expliciet op de barricade tegen de mensenrechten, tegen sociale rechten, tegen de godsdienstvrijheid, tegen de scheiding tussen Kerk en staat. 

 

We kunnen niet ten volle werken aan de Kerk van de toekomst als we ons wegsteken voor mistoestanden en zelfs misdaden uit het verleden. De Kerk stond zéér regelmatig aan de verkeerde kant van de geschiedenis. We mogen daar niet blind voor zijn. Enkel spreken over antiklerikalisme zonder te spreken over de gigantische balk in ons eigen oog gaat ons niet dichter bij de Kerk van de toekomst brengen. 



Lees het volledige stuk op Otheo