In De Standaard verscheen op deze Goede Vrijdag een column van godsdienstpedagoog Bert Roebben over Goede Vrijdag en LBV op school.
De titel van de roman van Nikos Kazantzakis beklijft en houdt mij als christen uit mijn slaap. Het verhaal is in zijn eenvoud universeel: een groep vluchtelingen, voornamelijk vrouwen, kinderen en ouderen, belandt in de weken voor Pasen in een welstellend dorp, zoekt zich een onderkomen en zorgt voor vijandige reacties bij de inwoners. Enkele jongeren in het dorp bekommeren zich om de vluchtelingen. Zij bereiden zich tegelijk voor op hun rol in het passiespel dat om de zeven jaar op Goede Vrijdag opgevoerd wordt. Meer en meer gaan zij zich identificeren met de vluchtelingen en met Christus, die het voor hen opneemt en het met de dood bekoopt. De passie is niet langer een spel maar wordt brute realiteit in het dorp. Het boek laat de lezer niet onberoerd: in de gestalte van mensen die lijden onder onrecht en uitsluiting verschijnt Christus vandaag opnieuw.
Ik zie ze op mijn dagelijkse nieuwsberichten voorbijtrekken: zij die op de vlucht zijn voor weer een nieuwe oorlog, onschuldige burgers vooral, slachtoffers van de brutale machtswellust en het schaamteloos geldgewin van enkelen. Maar ook dichterbij huis schaam ik me voor het gebrek aan gastvrijheid en inclusie in onze samenleving. En sluimerend onder dit alles wordt de taal van de ontmoeting besmeurd en heerst het narratief van afgrenzing en afschrikking. Ik vrees dat de latere Habermas gelijk heeft: als de taal van de humaniteit, die opgeslagen ligt in de grote levensbeschouwingen verloren gaat of besmeurd wordt, gaat ook de ervaring van humaniteit zelf verloren. Paus Leo voegde er vorige zondag in niet mis te verstane woorden aan toe dat Christus niet kan ingezet worden om een oorlog goed te praten.
Vooral de toekomst van onschuldige mensen, met name kinderen en jongeren, staat deze dagen onder druk. Als lerarenopleider voor het vak levensbeschouwing vraag ik me oprecht af hoe we met de taal van de ontmoeting zullen blijven “opboksen” tegen de taal van afgrenzing en afschrikking. Hoe blijft een humaan discours overeind, wanneer fake news, hate speech, leugens en een gebrek aan transparantie de toon zetten in samenleving en politiek? Hoe leren jonge mensen een cultuur van vertrouwen in een context die voortdurend het tegendeel beweert? En mag de school een plek zijn waar jonge mensen op verhaal mogen komen en hun kwetsbare identiteit mogen ontdekken, voorbij prestatiefascinatie en kennisrijke curricula? Akkoord, we moeten hen voorbereiden op moeilijke tijden, maar hoeveel “leerschool in humaniteit” willen we daarvoor opofferen? Ik wil er als christen nog wel eens over nadenken en me in het interlevensbeschouwelijke gesprek hierover engageren. Niet alleen op Goede Vrijdag.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten