Posts tonen met het label literatuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label literatuur. Alle posts tonen

6.22.2026

Nonnenkoorts: de Middeleeuwen als toevlucht, inspiratie en verzet

Het schooljaar loopt op zijn einde. Tijd om terug in de boeken te duiken.

Historica Lieke Smits schreef op dNBg een interessant stuk over medievalcore en de populariteit van middeleeuwse vrouwen in academia én in de populaire cultuur.

 

 

Nonnenkoorts: de Middeleeuwen als plek van toevlucht, inspiratie en verzet 

Medievalcore, nonnenkoorts, Jeanne d’Arc: middeleeuwse vrouwen zijn populair. Waarom spreekt de middeleeuwse vrouw ons nu zo aan – zowel binnen als buiten de academische wereld? En is die interesse een vorm van verzet of escapisme? Mediëvist Lieke Smits bespreekt het aan de hand van vier recente boeken.

Middeleeuwse vrouwen spreken al sinds de negentiende eeuw sterk tot de culturele verbeelding. Het meest iconische voorbeeld is waarschijnlijk Jeanne d’Arc, die laat zien dat één figuur groepen met heel verschillende identiteiten en politieke overtuigingen kan aanspreken. Haar strijd tegen buitenlandse indringers wordt omarmd door nationalisten, haar crossdressing door lhbtq+-gemeenschappen. Volgens velen, onder wie Margaret Atwood, is Greta Thunberg de Jeanne d’Arc van het klimaat. Maar niet alleen strijdende vrouwen zijn populair. Hildegard von Bingen, een twaalfde-eeuwse homo universalis die onder meer over theologie, kosmologie en het vrouwelijk orgasme schreef, is ook nog steeds een bron van inspiratie. Soms op onverwachte manieren – zo koos Marlies Dekkers de abdis als muze voor haar Ecclesia-lingerielijn (winter/herfst 2023). 

 

Lees 

5.30.2026

Prevenier: "Ik lees fictie om geen stommiteiten te begaan in het echte leven."

Op deze te warme zaterdag tijd voor lectuur. Iedereen Leest brengt een interview met prof. em. Walter Prevenier.  

 

‘In 1950 ontwikkelde ik een plotse, intense passie voor literatuur’, zegt Walter Prevenier. De negentiger, kwiek als een springveer, zit aan de keukentafel van zijn flat in Seniorcity, een ruim bemeten woonzorgcentrum in Gent. ‘Ik las als kind erg veel, maar in de jaren ’50 ging de wereld echt open. Toen leidden leerkrachten Engels, Frans en Nederlands mij naar de grote namen van de literatuur.’ 

 

© Michiel Devijver en Iedereen Leest

 

Prevenier, een uit Zelzate afkomstige historicus gespecialiseerd in de middeleeuwen, de paleografie en de oorkondenleer, verwierf een cultstatus aan de UGent als docent Historische Kritiek. Al wie in de jaren tachtig en negentig een opleiding in de Letteren of de Wijsbegeerte volgde, passeerde bij Prevenier, werd gepusht om te durven denken en zou de kleine, welbespraakte man niet gauw vergeten. Ook de VS zijn hem niet vergeten. Prevenier reisde frequent naar de States om in verschillende staten de jonge generaties te begeesteren. Hij schreef ook een resem boeken en altijd is de Oost-Vlaming een docent gebleven. Ons bijna twee uur durend gesprek voelt aan als een lezing, zijn flat als een aula, zijn stem de soundtrack van een leven gebaseerd op de waarheid, of althans de zoektocht naar die waarheid. ‘Ik lees al mijn hele leven’, zegt hij, ‘ik schrijf al mijn hele leven en ik ga dat blijven doen tot ik er niet meer ben.’

 

Stoner

Op de tafel ligt een blad met aantekeningen. Tussen een stapel boeken - Tom Lanoye, Stefan Hertmans, Rik Van Puymbroeck- steken notities en feilloos is de taal waarmee Prevenier zijn Leeswereld tot leven wekt. ‘Hoewel ik als academicus de hele tijd bezig ben met non-fictie, blijf ik ook romans lezen’, zegt hij. ‘Niet louter uit ontspanning, maar evenzeer om de wereld beter te begrijpen.’ Walter Prevenier heeft als historicus zijn Leeswereld gedocumenteerd. ‘Dit zijn de boeken die ik sinds die oplaaiende passie als tiener heb gelezen’. Hij schuift me een paar vergeelde A4’tjes toe: oud papier waarop hij destijds met een typemachine bijhield wat hij las. Nederlandse bibliotheek is de titel van de bovenliggende lijst, met daarop honderden titels als De jeugd als inspiratiebron van Hubert Lampo, Lenteleven van Stijn Streuvels, Billy Budd van Herman Melville, Van Nitsjevo tot Chorosjo! van Johan Daisne en De gedaanteverwisseling van Franz Kafka. 

 
 

Zeventien jaar was Walter Prevenier toen hij Racine, Molière, Descartes, Sophocles en Maeterlinck in het Frans las. Hij las ook over letterkunde, methodiek en geschiedenis, op een moment dat klasgenoten amper hun veters konden strikken. Hij maakte deel uit van de Zwitserse Billiken Pen Club, schreef brieven naar mensen die hij nooit ontmoette, kreeg brieven in het Frans terug uit Zuid-Vietnam, in het Duits uit Finland (‘Ich bedaure, dass Sie nicht begeisterter FREIDENKER sind wie ich.’). Nooit zou de vrijdenker uit Zelzate verworden tot een Stoner, naar het boek van John Williams, waarin het leven van het hoofdpersonage, een academicus, verzandt en verrafelt.

 

Mensenkennis

‘Ik lees fictie om geen stommiteiten te begaan in het echte leven’, zegt Prevenier. ‘Je kan een boek lezen over zestiende-eeuwse kooplieden, wat boeiend is, maar om de mensen om je heen te begrijpen zul je toch fictie moeten lezen. Dankzij romans leerde ik de lichaamstaal van collega’s ontcijferen, dankzij romans kon ik de gedachtenwereld van anderen decoderen, dankzij romans kon ik me handhaven als decaan, te weten dat ik jonge collega’s in toom moest houden. Je kan niet geloven hoeveel mensenkennis je nodig hebt om geen verkeerde beslissingen te nemen. Niet alleen romans, ook films hielpen me daarbij. Ik ben de zoon van een patissier die een tiental jaar ook een paar cinema’s exploiteerde. Wel, je kan een naslagwerk lezen over de ontmoeting van Hitler en Mussolini, maar je kan ook kijken ook naar Una giornata particolare. Dan zie je Sophia Loren ook nog eens.’ (lacht)

 

‘Fictie is mijn vluchtheuvel. Na de dagelijkse focus op wetenschappelijke tijdschriften, essays en andere onderzoeken, is de roman de plek waar alles een gevoel krijgt, een gezicht. Toen De Bourgondiërs van Bart Van Loo werd gepubliceerd, kreeg de romanist veel kritiek van historici. Ik heb Van Loo meteen verdedigd. Hij laat inderdaad personages fictieve dialogen voeren, tot grote onvrede van veel van mijn collega’s. Van Loo zegt wat de Bourgondiërs moeten hebben gedacht in die tijd. Dat wierp een criticus op in een debat, dat zoiets not done is. Waarop ik zei: “En wat doen wij dan, historici, doen wij niet net hetzelfde?” De Bourgondiërs is zo goed, omdat de auteur weet waarover hij schrijft. De gaten in onze kennis van die geschiedenis vult hij op met zijn verbeelding. Die verbeelding is heel realistisch. Van Loo schrijft geloofwaardige dialogen, daarom houd ik zo van dat boek.’

 

Verhulst

“In 'De draaischijf' beschrijft Lanoye het leven in de jodenwijk in Antwerpen vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Ik liep daar toen zelf rond als kind. Ik zie nog scherp voor ogen hoe alles er toen uitzag.”

 

Wie in 1934 is geboren, is in 2026 ouder dan haast iedereen. Prevenier kan er om lachen. ‘Romans brengen mijn eigen verleden tot leven. In De draaischijf, een fantastisch boek overigens, beschrijft Lanoye het leven in de jodenwijk in Antwerpen vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Ik liep daar toen zelf rond als kind. Mijn vader exploiteerde een bioscoop in de buurt en ik zie nog scherp voor ogen hoe alles er toen uitzag. En De opgang van Stefan Hertmans gaat zelfs over mensen die ik heel goed heb gekend. Voor een van hen, Adriaan Verhulst, schreef ik zelfs een lovende necrologie bij zijn overlijden.’ 

 

In De opgang schrijft Stefan Hertmans over de vroegere bewoner van een Gents huis dat de schrijver in 1979 kocht: Willem Verhulst, een vooraanstaande SS’er die mee afrekeningen en deportaties organiseerde. ‘De zoon van Willem, Adriaan, was mijn collega proximus aan de unief, een mediëvist met wie ik dertig jaar lang lesgaf en met wie ik het liberaal archief heb opgericht. We zaten samen in allerlei liberale, vrijzinnige, vlaamsgezinde verenigingen. Plots verplichtte dat boek me om mijn geschiedenis met Adriaan te herdenken. Voor de zoveelste keer drukte de fictie me dus met de neus op de feiten. Hoewel het natuurlijk ook een roman is, sta ik toe dat Hertmans met mijn voeten speelt. Ja, ik kan die klik maken. Al heb ik nadien contact gezocht met de auteur, aan wie ik trouwens ooit lesgaf. Ik legde uit dat zijn herinneringen -Hertmans had ook les gekregen van Adriaan- niet stroken met die van mij. Daarin schuilt de vrijheid van de romancier: de auteur mag doen met personages wat hij wil, zolang het maar authentiek is, geloofwaardig. Dan heb je me helemaal beet.’

 

 

bron: Iedereen Leest 

9.12.2024

Heeft de geschiedenis historici nodig?

Het succes van Bart Van Loo en zijn Bourgondiërs: heeft de geschiedenis historici nodig? 

 

Met Stoute Schoenen heeft Bart Van Loo een vervolg klaar op de bestseller De Bourgondiërs, en het succes zal er niet minder op zijn.


De vraag moet gesteld: wat kunnen schrijvers zoals hij dat professionele historici niet kunnen?

 
 

Stoute schoenen – In de voetsporen van de Bourgondiërs is een titel met een dubbele laag. Eén: Bart Van Loo vertelt opnieuw de geschiedenis van de Bourgondiërs. Deze keer neemt hij de lezer mee op een tocht naar de lieux de mémoire waar de historische feiten zich voltrokken. Dat traject van een stevige eeuw vol Bourgondische geschiedenis legt Van Loo samen met zijn lezers te voet af. De tocht begint in de Gentse Sint-Baafsabdij, waar aartsvader Filips De Stoute in 1369 in het huwelijk trad met Margaretha van Male, de dochter van de graaf van Vlaanderen. Het einde ligt in het Musée royal de Mariemont in Henegouwen. Daar worden de originele aquarellen bewaard die dienden ter illustratie van de albums van 's Lands Glorie , een populair-historisch prentenboek voor kinderen uit de tijd van la Belgique de papa.


Met het bijna abstracte prentje nummer 182 ontstond de fascinatie van Bart Van Loo voor de Bourgondiërs. Het toont een winterlandschap in 1477, en twee mannen die kijken naar een nauwelijks zichtbare schaduw in de sneeuw: het door wolven aangevreten lijk van Karel De Stoute, de laatste mannelijke hertog. Op het slagveld nabij Nancy was zijn hoofd met een bijl in tweeën gekliefd.


In het diepst van zijn gedachten is Bart Van Loo de laatste erfgenaam van de Bourgondische hertogen.


In het diepst van zijn gedachten is Bart Van Loo de laatste erfgenaam van de Bourgondische hertogen. In zijn inleiding vertelt hij nog eens hoe hij bij de voorbereiding van zijn eerste Bourgondiërsboek zijn sportschoenen onder handen liet nemen – tussen het schrijven door pleegt hij hardop nadenkend rondjes te lopen in zijn bureau. ‘Op de ene schoen liet ik Philippe graveren, op de andere le Hardi ', naar stamvader Filips de Stoute. Vandaar ook dus deze Stoute schoenen


De P van Philippe is er intussen afgesleten, geeft hij toe, maar er kan wel een nieuw paar sneakers af. Uitgeverij De Bezige Bij verkocht liefst 375.000 exemplaren van De Bourgondiërs, vertalingen inbegrepen Dat is niet zomaar ‘veel', dat is een astronomische oplage – zeker voor non-fictie. Een non-fictieboek waarvan 3000 exemplaren werden verkocht, noemt een beetje uitgever doorgaans een bestseller.



De romanist


De meeste boeken worden aan het publiek voorgesteld, een verwachte bestseller als Stoute schoenen wordt – we citeren de promotekst – gelanceerd. Dit weekend vinden in Gent de ‘Bourgondische dagen' plaats. Wie zich op tijd heeft ingeschreven, kan mee op een Stoute schoenen -wandeltocht door de stad, een route gebaseerd op het eerste hoofdstuk van het boek. Alle kaartjes waren in een vloek en een zucht uitverkocht. Geïnteresseerden kunnen zich ook inschrijven voor de tournee Stoute Schoenen: een avond met Bart Van Loo . De auteur doet niet alleen Vlaanderen maar ook Nederland aan, van Den Haag tot Nijmegen en van Rotterdam tot Breda. Van Loo beperkt zich niet tot het voorlezen van bladzijden uit zijn boek, meldt zijn website, hij brengt ‘misschien een gedicht van Baudelaire', ‘wie weet zingt hij een flard Aznavour?' of ‘trakteert hij ons op de strafste seksscène uit de Franse literatuur?'


Bart Van Loo is van opleiding geen historicus maar een romanist. Hij is een specialist van de Franse literatuur, een kenner van de Franse geschiedenis, een liefhebber van de Franse keuken en de echtgenoot van een française. Dat alles vormt de basis van zijn literaire productie. In Parijs retour. Literaire reisgids voor Frankrijk (2006) stapte hij door het land in het spoor van de beroemde negentiende-eeuwse auteurs Victor Hugo, Honoré de Balzac en Émile Zola. Nadien verscheen Als kok in Frankrijk. Literaire recepten en culinaire verhalen (2008), een literaire ode aan de goede smaak. En dan was er natuurlijk O vermiljoenen spleet! Seks, erotiek en literatuur (2010), waarin de man ook in dat aspect van Franse cultuur zijn meesterschap etaleerde.


Ook Franstalig België en Frankrijk vielen de voorbije jaren voor Van Loo. Een letterlijke vertaling van ‘de Bourgondiërs' zou ‘les Bourguignons' geweest zijn, maar de Franse uitgever Flammarion koos voor ‘les Téméraires' : ‘de Stoutmoedigen', ‘de Onbezonnenen', (in het Frans heet Filips de Stoute ‘Philippe le Hardi' en Karel de Stoute ‘Charles le Téméraire'). Door in te zoomen op alles wat gewaagd en onbezonnen is, gaf Bart Loo de geschiedenis van de hertogen van Bourgondië extra pit. Hij focust niet alleen op de grote geschiedenis, maar ook op de menselijke kant, de ambities, de jaloezie en het verraad. Hij beschrijft hoe de hertogelijke politiek om echtverbintenissen aan te gaan uit staatsraison vervolgens tot fataal ongelukkige huwelijken leidt.


De Grote Bastaard


Van Loo en zijn uitgever schuwen de vergelijking met Game of Thrones niet. In die baanbrekende HBO-serie leidt de niet te temmen lust naar invloed, macht en seks ertoe dat zelfs verwante en bevriende dynastieën uiteindelijk gedoemd zijn om elkaar genadeloos te bekampen. Dat was uiteindelijk toch ook het lot van de hertogen van Bourgondië? In een bijlage in Stoute Schoenen geeft Van Loo een overzicht van de erkende natuurlijke kinderen die Filips de Goede bij diverse hooggeplaatste vrouwen had verwerkt (en zijn er natuurlijk nog talloze anderen die anoniem gebleven zijn). De natuurlijke zonen werden heer of kamerheer, abt of bisschop, de natuurlijke dochters werden uitgehuwelijkt aan politiek interessante partijen. De oudste zoon in leven droeg zelfs de speciale eretitel van Grote Bastaard. Alleen van erfenisrechten waren die bâtards de Bourgogne uitgesloten.


‘De combinatie van aanleg, macht en appetijt maakte van Filips de Goede een succesvolle erotomaan', schrijft Van Loo. ‘Zijn wellustige levenswandel leidde volgens kroniekschrijver Olivier de la Marche tot “een prachtige troep bastaarden van beiderlei kunne”. Realistische schattingen spreken van bijna 25 minnaressen bij wie hij 26 onwettige kinderen verwekte.' Filips de Goede was nochtans driemaal in het huwelijk getreden. Van Loo: ‘Met zijn drie echtgenotes samen kwam Filips niet verder dan één volwassen (mannelijke) nakomeling (Karel de Stoute).'


Waarom zou geschiedschrijving niet entertainend mogen zijn?


Maar wie in De Bourgondiërs of Stoute Schoenen zou zoeken naar pikante beschrijvingen van hertogelijk gehobbel kan zich de moeite besparen: die zijn er niet. Van Loo stelt zich op als een historicus, niet als auteur van historische romans. Hij citeert uit bronnen, hij verzint geen scènes. Maar jawel, wellicht is het voornaamste ingrediënt van zijn succesrecept dat hij geschiedenis en entertainment hand in hand laat gaan. Waarom zou geschiedschrijving niet entertainend mogen zijn?


Academische kritiek


Van Loo is geen historicus die zelf in de bronnen duikt om daar nieuwe ontdekkingen te doen of oude inzichten te corrigeren. Hij is een uitstekend kenner van de bestaande literatuur, en op basis daarvan borstelt hij een breed panorama. Hij laat weg wat hij niet nodig heeft en focust op het verhaal dat hij wil vertellen. Ja, hij geeft voetnoten en een bibliografie om de feiten te staven, maar nu ook geen honderd bladzijden. Die schijnbare vrijblijvendheid irriteert de academische historici. De flair waarmee Van Loo zijn boeken schrijft, staat haaks op hun punctuele, methodische, wetenschappelijke aanpak.


Bovendien werken academische historici, zeker in Vlaanderen, in een keurslijf van afspraken en beslissingen. Pure geschiedenis ‘van bovenaf' wordt gezien als voorbijgestreefd en in zekere zin zelfs als irrelevant: de geschiedenis van de elite is niet representatief voor de gang van zaken in de hele samenleving. Bij het verschijnen van De Bourgondiërs werd die kritiek pittig verwoord door de Gentse mediëvist Jan Dumolyn ‘Van Loo reproduceert stereotiepe beelden over de hertogen van Bourgondië: hun copieuze banketten, hun pracht en praal. Ondanks hier en daar een zekere interesse voor het gewone volk en een spaarzame aandacht voor sociaal-economische kwesties reduceert hij de geschiedenis vooral tot een verhaal van koningen, vorsten en edelen.' In De Standaard vatten twee andere academische historici, Lisa Demets (Universiteit Utrecht) en Jelle Haemers (KU Leuven), de kwestie in één titel scherp samen: ‘Karel de Stoute, een hertog zonder onderdanen?'


De flair waarmee Van Loo zijn boeken schrijft, staat haaks op hun punctuele, methodische, wetenschappelijke aanpak.


Van Loo beet van zich af, ook in De Standaard : ‘Wat als academici leesbare boeken konden schrijven?' En in het VRT-programma De afspraak legde hij uit dat niets de historici weerhield om het boek te schrijven dat zij vinden dat geschreven moet worden: het Bourgondisch tijdvak geschreven vanuit het perspectief van de gewone man. Waarna hij er fijntjes aan toevoegde: ‘Maar ook met een narratief. Geschiedenis mag ook boeiend zijn om te lezen.'


De vinger op de wonde


Van Loo duwt waar het pijn doet. Er bestaan boekenkasten vol belangrijke en hoogst interessante academische historische weken, maar slechts uitzonderlijk wekken ze brede interesse op, laat staan dat ze leiden tot een maatschappelijk debat. Sommige historici zijn zich van dat euvel bewust. Nico Wouters, hoofd van het Studiecentrum Oorlog en Maatschappij (CegeSoma), bekende ootmoedig: ‘Het ligt ook aan onszelf. Mijn boek over de oorlogsburgemeesters is haast onleesbaar.' Zo is dat: de meeste boeken van academische historici worden gelezen door andere geïnteresseerde historici.


Er zijn uitzonderingen: de Nederlander Frits van Oostrom, voormalig hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de universiteiten van Leiden en Utrecht en gastdocent aan Harvard, heeft een uitstekende pen en won bijvoorbeeld in 1996 de prestigieuze AKO-literatuurprijs voor zijn boek Maerlants wereld , over de middeleeuwse auteur Jacob van Maerlant.


Waar hebben de historici het eigenlijk afgeleerd om zich tot het grote publiek te richten?


Wanneer hebben de historici het eigenlijk afgeleerd om zich tot het grote publiek te richten, laat staan om een plaats te claimen in het maatschappelijk debat? Die tijd hééft bestaan. Ooit golden academische historici zelfs als de betere letterkundigen. In 1902 won de Duitse historicus en rechtsgeleerde Theodor Mommsen zelfs de tweede Nobelprijs voor de Literatuur voor zijn indrukwekkende tweedelige studie Römische Geschichte . Als hoogleraar aan de Humboldt-Universität zu Berlin ontwikkelde hij tot op hoge leeftijd een ontzagwekkende wetenschappelijke productie. Maar Mommsen was geen kamergeleerde. Hij mengde zich ook in politieke debatten, werd zelfs verkozen in het parlement en gebruikte ook daar zijn kennis als historicus. Zo ging hij tekeer tegen zijn collega Heinrich von Treitschke, de bedenker van de leuze ‘die Juden sind unser Unglück' . Mommsen verweet Treitschke dat hij ‘het antisemitisme in Duitsland had geïmporteerd'. Dat was een profetisch oordeel: een halve eeuw later werd die slagzin het motto van het nationaalsocialistische blad Der Stürmer


Brits voorbeeld


Het is geen gemakkelijk debat. Op het eerste gezicht lijkt het vanzelfsprekend dat de geschiedkundige variant van l'art pour l'art , strikt historisch werk dat zich alleen toelegt op specifieke historische kwesties, zelden boeiend zal zijn voor het grote publiek. Een voorbeeld uit de Angelsaksische wereld. De bekendste biograaf van Adolf Hitler is nog altijd de Brit Ian Kershaw. Kershaw was aanvankelijk hoogleraar middeleeuwse geschiedenis aan de universiteiten van Manchester, Nottingham en Sheffield. Mettertijd interesseerde hij zich voor Duitse geschiedenis, en zo kwam hij onvermijdelijk uit bij de studie van de Tweede Wereldoorlog.


Daarbij beperkte hij zich niet tot zijn academische opdracht, hij deed actief mee aan de grote debatten die de Duitse publieke opinie verscheurden, zoals de Historikerstreit in de late jaren 1980, over de oorsprong en de plaats van de nazi's en de Holocaust in de Duitse geschiedenis. Kershaw ging in de media onvervaard de discussie aan met prominente historici als Joachim Fest en Ernst Nolte. Hij verweet hun dat zij de Duitse geschiedenis ‘wilden witwassen'. Maar evengoed nam hij de maat van politicoloog en schrijver Daniel Jonah Goldhagen, die in zijn ophefmakende boek Hitlers gewillige beulen de stelling had ontwikkeld dat het Duitse volk doorheen de geschiedenis intrinsiek antisemitisch was geweest. Kershaw noemde hem ‘simplistisch en misleidend'.


Ook Ian Kershaw, biograaf van Hitler, wist academische waardering te combineren met publieke erkenning en commercieel succes.


Zou het kunnen dat Kershaw juist om te kunnen standhouden in het publieke debat wel verplicht was om zijn onderwerp en argumenten nog veel grondiger te kennen dan als hij zich beperkt had tot een recensie in hoog aangeschreven academische A-tijdschriften? Dat juist het feit dat hij zich tot het grote publiek richtte van hem een nog betere en ook meer invloedrijke historicus heeft gemaakt? Ook al zijn er sindsdien nog uitstekende boeken over Hitler verschenen, Kershaws monumentale tweedelige biografie (Hitler 1889-1936: Hubris (1998) en Hitler 1937-1945: Nemesis (2000) geldt nog altijd als dé referentiebiografie. Een kwarteeuw na het verschijnen ervan bieden platformen als Amazon, Barnes & Noble en Bol.com de twee delen nog altijd te koop aan: in soft- of hardcover, als e-book en in tientallen vertalingen. Kershaw wist academische waardering (hij won onder meer de prestigieuze British Academy Book Price) te combineren met publieke erkenning en commercieel succes.


Waarom zou dat in Vlaanderen niet kunnen? David Van Reybrouck toont de weg. Hij studeerde archeologie en filosofie in Leuven en Cambridge en doctoreerde in Leiden. Hij is auteur van een rijk en divers oeuvre. Van Reybrouck schreef romans, pamfletten, essays, teksten voor theater, poëzie en non-fictie. Het bekendst zijn nog zijn historische boeken, waarvan er twee tientallen vertalingen kenden en internationale erkenning kregen: Congo: een geschiedenis (2010) en Revolusi – Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld (2020). Van Congo zijn er zelfs meer dan een half miljoen exemplaren verkocht. Het bracht (de uitgever van) Van Reybrouck niet alleen financieel wat op, er kwam ook belangrijke maatschappelijke erkenning. Zelfs paus Franciscus nodigde hem in audiëntie uit.


Van Loo heeft dus ongelijk. Academische historici schrijven al lang leesbare en belangrijke historische boeken. Tegelijk heeft Van Loo ook helemaal gelijk. Historische lectuur mag – móét – boeiend zijn. Dat er aan universiteiten een ontzettend grote academische productie bestaat: uitstekend zo, en as such ook maatschappelijk zeer waardevol. Dat geldt a fortiori voor historici die een groter publiek willen – en kunnen – bereiken. Daarbij gelden andere vormelijke en inhoudelijke regels dan voor de interne productie. Als Bart Van Loo de Bourgondiërs niet op eigen initiatief vanonder het spinrag had gehaald, dan hadden de verzamelde academische historici van dit land hen nog altijd laten zitten in de vergeetput die ‘geschiedenis' heet.

 

7.02.2021

"From our birthday, until we die, is but the winking of an eye"

 


While still I may, I write for you
The love I lived, the dream I knew.
From our birthday, until we die,
Is but the winking of an eye;
And we, our singing and our love,
What measurer Time has lit above,
And all benighted things that go
About my table to and fro,
Are passing on to where may be,
In truth's consuming ecstasy,
No place for love and dream at all;
For God goes by with white footfall.
I cast my heart into my rhymes,
That you, in the dim coming times,
May know how my heart went with them
After the red-rose-bordered hem.





Uit het gedicht 'To Ireland in the Coming Times' van de Ierse dichter W.B. Yeats (1865 - 1939). Lees het volledige gedicht bij the Poetry Foundation.  



7.12.2020

avonturen, alledaagsheid en FOMO


De norm van avontuurlijkheid zorgt er voor dat alledaagsheid een taboe wordt. We leven immers in een wereld waarin reality-tv constant suggereert dat zelfs doodnormale mensen avonturen beleven die de aandacht van miljoenen kijkers waard zijn. Het moet dan wel zo zijn dat ook jouw doodnormale bestaan een avontuur is – en als dat niet zo is, moet dat wel jouw eigen schuld zijn. Vandaar dat millennials massaal lijden aan zogenoemde FOMO: fear of missing out. Je wordt online constant geconfronteerd met de avonturen die anderen beleven, terwijl je zelf een beetje op de bank hangt met je telefoon. Je voelt daardoor de druk om je linea recta in iets avontuurlijks te storten, zodat je materiaal vergaart waarmee je kunt laten zien dat ook jouw leven heus wel noemenswaardig is. Zodra avontuur de norm is, gaat ons alledaagse leven voelen alsof ook wij een soort oorsuizingen hebben – alsof de normaliteit een soort irritante pieptoon is die we moeten uitbannen door het avontuur op te zoeken.

Gusman en Kleinherenbrink, Avonturen bestaan niet, Amsterdam, 2018, p. 135.

6.09.2020

Ik doe mijn plicht, ik voer de duiven

'Ik doe mijn plichten, dat kan niemand ontkennen', verklaarde de zolenman. 'Ik ga nooit meer naar de moskee, maar ik voer er wel de duiven.'

Geert Mak, De Brug.

7.30.2019

Melmoth

Maar wat je moet onthouden is het volgende: ze is eenzaam, met een eeuwigdurende eenzaamheid die slechts ten einde zal komen wanneer onze wereld ten einde komt, dan krijgt ze vergeving. Dus gaat ze naar diegenen die op het dieptepunt van hun leven zijn en wie zij kiest voelt haar ogen op zich gericht. Dan kijken ze op - en zien haar kijken - en ze strekt haar armen uit en zegt: Pak mijn hand vast! Ik ben zo eenzaam geweest!'
Ik huiverde en vroeg wat er gebeurde met wie haar inderdaad bij haar hand pakte. 


Sarah Perry, Melmoth, uitgeverij prometheus, 2018, p. 48.

7.12.2019

Umm Kulthum en de kaart van zout en sterren

Vandaag een streepje literatuur met muziek.




Er rijdt een taxi over de rotonde, met oem Kalsoem galmend  op de radio, waardoor het geschreeuw wordt overstemd. Oem Kalsoem is mijn favoriete zangeres en dat zal ze altijd zijn. Vroeger dansten mama en baba in ons appartement in de stad op haar muziek. Nadat baba ziek werd, bleef de cd in de stereo zitten totdat er een laag stof op het apparaat zat. Soms zette ik de muziek op in de hoop dat ze weer zouden gaan dansen. Maar dat deden ze niet.


uit: De Kaart van Zout en Sterren van Jennifer Zeyneb Joukhadar, 2019, p. 43.








uit:


de kaart van zout en sterren van Jennifer Zeynad Joukhadar


meer over dit boek bij de uitgever.
Desgewenst kun je hier een fragment beluisteren.

Maar je kunt ook gewoon lopen naar de lokale openbare bibliotheek.

Meer over Umm Kulthum. 

8.12.2018

V.S. Naipaul - 'no city or landscape is truly real'

No city or landscape is truly real

unless it has been given the quality of myth

by writer, painter or by its association with great events.


V.S. Naipaul (1932 - 2018) 


An Area of Darkness

1964 (1985), p. 194

8.07.2018

'koeien en gewone mensen'


Het paviljoen van de Hand stond een halve mijl van het kasteel in de schaduw van een olm met een brede kruin. Vlakbij was een tiental koeien aan het grazen. Koningen komen op en gaan onder, dacht Dunk, en koeien en gewone mensen gaan door met hun bezigheden.


George R.R. Martin, De Onbekende Ridder, in: De Wereld van Het Lied van IJs en Vuur. Ridder van de Zeven Koninkrijken, Amsterdam, 2014, p. 289.

7.28.2018

ouderdom en historische waarde

'Mr. Brundish, u ben toch iemand die begaan is met het welzijn en erfgoed van deze gemeente? Is het nooit bij u opgekomen dat een gebouw met zo'n historische waarde beter benut kan worden?'

Dat was een gemene zet. Mr. Brundish gaf geen zier om het welzijn en erfgoed van het dorp. Hij was het dorp, in zekere zin. Hij had er nooit over nagedacht of hij ermee begaan was of niet.

'Ouderdom is niet hetzelfde als historische waarde,' zei hij. 'Anders zouden wij allebei waardevoller zijn dan het geval is.'


Penepole Fitzgerald  De Boekhandelaar, uitgeverij Karmijn, 2015, pp. 124 - 125

6.14.2018

"ze denkt dat ik erg alleen ben"


Ze denkt dat ik erg alleen ben. Zo dadelijk krijgt ze medelijden met me. Maar ik ben niet alleen. Ik heb alles in mijn hoofd wat ik nodig heb om het niet te zijn.



Saulius Kondrotas, De schaduw van de slang, 1994 (oorspronkelijk 1981), p. 189.

5.18.2018

verderop zit een kip te soezen


'Thee?', vraagt ze, terwijl ze met een besmeurde theedoek bruusk over het aanrecht wrijft.
'Graag', zeg ik. 'En mag ik op de veranda gaan zitten? Het is zulk mooi weer.'
Ze knikt, stuurs.
In de zitkamer is het nog bedompter. Vlug gooi ik de tuindeur open en adem met diepe halen de lucht van dennenappels en hars in.
Buiten ga ik op een van de rotanstoeltjes zitten.
Het ding kraakt. Het licht op de veranda lijkt groen, alsof de zon in een wijnfles is gezakt, zo'n beetje als de poire Williams die mijn moeder graag aan haar vriendinnen serveert. Verderop zit een kip te soezen op de bovenste tree van een aluminium keukentrapje dat onder een boom staat. Uit het bos klinken zuchtende, ruisende geluiden.

Renate Dorrestein (1954 - 2018)

uit: Liever horen we onszelf, Querido, 2017, p. 13.

3.01.2018

de kat dacht misschien dat ik hem nodig had

De kat keerde terug en drukte zich tegen mijn been. Ik pakte hem op en zette hem op mijn schoot. Hij dacht misschien dat ik hem nodig had.


uit: Salam Europa! van Kader Abdolah, Prometheus, 2016, p. 346. 


1.24.2018

Ursula K. Le Guin. American Science Fictor and the Other

Ursula K Le Guin

dé grootmeester van de science ficton,
progressief schrijfster,
onderschat schrijver in een onderschat genre
maar wat een talent.
prachtig artwork door Essy May

Voor de barbaren en de snobs die nog niet van haar gelezen hebben: rep je stante pede naar de lokale bibliotheek



voor de echte liefhebber, in 1975 bracht het tijdschrift 'Science Ficton Studies' een themanummer over de Science Fiction van Ursula K. Le Guin, met daarin volgend bijzonder lezenswaardige stuk van de grootmeesteres zelve.


One of the great early socialists said that the status of women in a society is a pretty reliable index of the degree of civilisation of that society. If this is true, then the very low status of women in SF should make us ponder about whether SF is civilised at all. The women's movement has made most of us conscious of the fact that SF has either totally ignored women, or presented them as squeaking dolls subject to instant rape by monsters-or old-maid scientists desexed by hyper-trophy of the intellectual organs-or, at best, loyal little wives or mistresses of accomplished heroes.

Male elitism has run rampant in SF. But is it only male elitism? Isn't the "subjection of women" in SF merely a symptom of a whole which is authoritarian, power-worshipping, and intensely parochial? The question involved here is the question of The Other-the being who is different from yourself. This being can be different from you in its sex; or in its annual income; or in its way of speaking and dressing and doing things; or in the color of its skin, or the number of its legs and heads. In other words, there is the sexual Alien, and the social Alien, and the cultural Alien, and finally the racial Alien.

Well, how about the social Alien in SF? How about, in Marxist terms, "the proletariat"? Where are they in SF? Where are the poor, the people who work hard and go to bed hungry? Are they ever persons, in SF? No. They appear as vast anonymous masses fleeing from giant slime-globules from the Chicago sewers, or dying off by the billion from pollution or radiation, or as faceless armies being led to battle by generals and statesmen. In sword and sorcery they behave like the walk-on parts in a high school performance of The Chocolate Prince. Now and then there's a busty lass amongst them who is honored by the attentions of the Captain of the Supreme Terran Command, or in a space-ship crew there's a quaint old cook, with a Scots or Swedish accent, representing the Wisdom of the Common Folk. The people, in SF, are not people. They are masses, existing for one purpose: to be led by their superiors. From a social point of view most SF has been incredibly regressive and unimaginative. All those Galactic Empires, taken straight from the British Empire of 1880. All those planets-with 80 trillion miles between them!-con- ceived of as warring nation-states, or as colonies to be exploited, or to be nudged by the benevolent Imperium of Earth towards self-development-the White Man's Burden all over again. The Rotary Club on Alpha Centauri, that's the size of it.

What about the cultural and the racial Other? This is the Alien everybody recognizes as alien, supposed to be the special concern of SF. Well, in the old pulp SF, it's very simple. The only good alien is a dead alien-whether he is an Aldebaranian Mantis-Man, or a German dentist. And this tradition still flourishes: witness Larry Niven's story "Inconstant Moon" (in All the Myriad Ways, 1941) which has a happy ending-consisting of the fact that America, including Los Angeles, was not hurt by a solar flare. Of course a few million Europeans and Asians were fried, but that doesn't matter, it just makes the world a little safer for democracy, in fact. (It is interesting that the female character in the same story is quite brainless; her only function is to say Oh? and Ooooh! to the clever and resourceful hero.) Then there's the other side of the same coin. If you hold a thing to be totally different from yourself, your fear of it may come out as hatred, or as awe- reverence. So we get all those wise and kindly beings who deign to rescue Earth from her sins and perils.

The Alien ends up on a pedestal in a white nightgown and a virtuous smirk-exactly as the "good woman" did in the Victorian Age. In America, it seems to have been Stanley Weinbaum who invented the sympathetic alien, in A Martian Odyssey. From then on, via people like Cyril Kornbluth, Ted Sturgeon, and Cordwainer Smith, SF began to inch its way out of simple racism. Robots-the alien intelligence-begin to behave nicely, With Smith, interestingly enough, the racial alien is combined with the social alien, in the "Underpeople," and they are allowed to have a revolution. As the aliens got more sympathetic, so did the human heroes. They began to have emotions, as well as rayguns. Indeed they began to become almost human. If you deny any affinity with another person or kind of person, if you declare it to be wholly different from yourself-as men have done to women, and class has done to class, and nation has done to nation-you may hate it, or deify it; but in either case you have denied its spiritual equality, and its human reality. You have made it into a thing, to which the only possible relationship is a power relationship. And thus you have fatally impoverished your own reality. You have, in fact, alienated yourself.

 This tendency has been remarkably strong in American SF. The only social change presented by most SF has been towards authoritarianism, the domination of ignorant masses by a powerful elite-sometimes presented as a warning, but often quite complacently. Socialism is never considered as an alternative, and democracy is quite forgotten. Military virtues are taken as ethical ones. Wealth is assumed to be a righteous goal and a personal virtue. Competitive free-enterprise capitalism is the economic destiny of the entire Galaxy. In general, American SF has assumed a permanent hierarchy of superiors and inferiors, with rich, ambitious, aggressive males at the top, then a great gap, and then at the bottom the poor, the uneducated, the faceless masses, and all the women. The whole picture is, if I may say so, curiously "un-American." It is a perfect baboon patriarchy, with the Alpha Male on top, being respectfully groomed, from time, to time, by his inferiors. Is this speculation? is this imagination? is this extrapolation? I call it brainless regressivism. I think it's time SF writers-and their readers!-stopped daydreaming about a return to the Age of Queen Victoria, and started thinking about the future. I would like to see the Baboon Ideal replaced by a little human idealism, and some serious consideration of such deeply radical, futuristic concepts as Liberty, Equality, and Fraternity. And remember that about 53% of the Brother- hood of Man is the Sisterhood of Woman.



meer op haar eigen website,
een interessante inleiding door Julie Philips van de NewYorker,
en deze 'where to start' van Slate.