6.22.2026

Nonnenkoorts: de Middeleeuwen als toevlucht, inspiratie en verzet

Het schooljaar loopt op zijn einde. Tijd om terug in de boeken te duiken.

Historica Lieke Smits schreef op dNBg een interessant stuk over medievalcore en de populariteit van middeleeuwse vrouwen in academia én in de populaire cultuur.

 

 

Nonnenkoorts: de Middeleeuwen als plek van toevlucht, inspiratie en verzet 

Medievalcore, nonnenkoorts, Jeanne d’Arc: middeleeuwse vrouwen zijn populair. Waarom spreekt de middeleeuwse vrouw ons nu zo aan – zowel binnen als buiten de academische wereld? En is die interesse een vorm van verzet of escapisme? Mediëvist Lieke Smits bespreekt het aan de hand van vier recente boeken.

Middeleeuwse vrouwen spreken al sinds de negentiende eeuw sterk tot de culturele verbeelding. Het meest iconische voorbeeld is waarschijnlijk Jeanne d’Arc, die laat zien dat één figuur groepen met heel verschillende identiteiten en politieke overtuigingen kan aanspreken. Haar strijd tegen buitenlandse indringers wordt omarmd door nationalisten, haar crossdressing door lhbtq+-gemeenschappen. Volgens velen, onder wie Margaret Atwood, is Greta Thunberg de Jeanne d’Arc van het klimaat. Maar niet alleen strijdende vrouwen zijn populair. Hildegard von Bingen, een twaalfde-eeuwse homo universalis die onder meer over theologie, kosmologie en het vrouwelijk orgasme schreef, is ook nog steeds een bron van inspiratie. Soms op onverwachte manieren – zo koos Marlies Dekkers de abdis als muze voor haar Ecclesia-lingerielijn (winter/herfst 2023). 

 

Lees 

6.21.2026

Juneteenth: slavernij en herinnering

 Democracy Now brengt een interessant interview met historicus Clint Smith over juneteenth, de Amerikaanse feestdag voor de afschaffing van de slavernij. 

 

 

 

 

6.17.2026

Op bezoek bij de Zusters van Liefde JM

 De zesdejaars van IVV in de Molenaarsstraat gingen de laatste lesweek op bezoek bij de Zusters van Liefde JM. Na een lessenreeks over engagement en geloof, waarbij ze kennis maakten met Kanunnik Triest en de spiritualiteit van ‘contemplatie in actie’, gingen de leerlingen een kijkje nemen bij de Zusters van Liefde van Jezus en Maria. De leerlingen Welzijnswetenschappen doken in de geschiedenis. Ze werkten rond de lotgevallen van het klooster (en de school) tijdens de Eerste Wereldoorlog. De leerlingen uit de richtingen Gezondheidszorg en Opvoeding en Begeleiding kregen een rondleiding van zuster Sushila Toppo, overste van het klooster. Zij vertelde met passie over het dagelijks leven in het klooster en het werk van de zusters in dienst van anderen, gedragen door gebed en meditatie. Ze drukte de leerlingen op het hart steeds te werken in de geest van Kanunnik Triest, vanuit de liefde voor elke mens. 

 

 


 

 

6.16.2026

Wim T. Schippers 1942 - 2026

 In Nederland is cultureel boegbeeld Wim T. Schippers overleden. Vooral bekend als de iconische stem van Ernie uit Sesamstraat. Schippers was een kunstenaar in hart en nieren. 

 


 

 

 Voor NRC schreef Bertram Mourits een interessant overzicht van zijn culturele veelzijdigheid. 

 

Wim T. Schippers gedijde bij de verwarring die hij schiep

Wim T. Schippers (1942-2026) | kunstenaar „Waarachtig oninteressant”, noemde Wim T. Schippers zijn werk graag. Van Fluxus-kunstenaar tot stem van Ernie bij ‘Sesamstraat’, van tv-maker tot toneelschrijver voor honden: als Wim T. Schippers iets was, was het wel ongrijpbaar.


Toen in 1997 in het Utrechtse Centraal Museum een overzichtstentoonstelling werd gemaakt over het werk van Wim T. Schippers, was de tekst in het bijbehorende boek afgedrukt in groen en rood. Dwars door elkaar heen: de groene tekst was Nederlands, de rode Engels. Bijgeleverd waren twee doorzichtige vellen plastic in rood en groen: wanneer je een van de twee op de bladzijden legde, kwam er goed leesbare tekst tevoorschijn, maar als je de vellen kwijt mocht raken, was het boek vrijwel onleesbaar.
 

Het lijkt een beetje op wat Jacques Plafond (het radio makende alter ego van Wim T. Schippers) in mei 1990 deed in zijn programma Ronflonflon (1984-1991): in de vrijwel wekelijkse muziekrubriek De kloteplaat van Emile werden twee nummers tegelijk gedraaid: een over de linker- en een over de rechterspeaker. Een buitengewoon onpraktische manier om tijd te besparen. Voordat we hier een patroon bespeuren: het werk van Schippers is te veelzijdig om grote lijnen in aan te wijzen. Van Fluxus-kunstenaar tot stem van Ernie bij Sesamstraat, van tv-maker tot toneelschrijver voor honden: als Wim T. Schippers iets was, was het wel ongrijpbaar. Hij overleed afgelopen woensdag in Amsterdam op 83-jarige leeftijd, zo heeft de Stichting Wim T. Schippers maandag bekendgemaakt.
 

‘Waarachtig oninteressant’
 

In 1942 werd hij geboren in Groningen als Willem Theodoor Schippers, verhuisde als kind naar Bussum en ging studeren aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs, de latere Rietveld Academie. „Waarachtig oninteressant” noemde Wim T. Schipppers zijn werk graag – maar de kunstwereld toonde vanaf zijn vroegste werk al veel interesse. Tot ergernis van zijn docenten wist hij werk te verkopen dat hij als opdracht voor zijn studie had gemaakt. Hij zou de opleiding niet afronden.
 

Met zijn ‘Manifestatie aan het strand te Petten’ wist hij de aandacht van de pers te trekken: een bescheiden stukje performance art dat eruit bestond dat hij een flesje limonade leeggooide in zee. Een absurd gebaar, dat toch ook het klassieke idee in herinnering roept van die ene wijndruppel die de samenstelling van de oceaan doet veranderen.
 

Het flesje was het begin van een carrière als conceptueel kunstenaar op het snijvlak tussen Fluxus, dada, surrealisme en Zero, met een flinke scheut humor. Beroemd werd de pindakaasvloer, die voor uiteenlopende locaties steeds opnieuw uitgevoerd kon worden en die in 2010 als concept werd verkocht aan Boijmans. Hij ontwierp een trouwzaal voor het Amsterdamse stadhuis waarbij de stoelen aan de muren hingen, een ingedeukte taxi voor Parijs, een half onder water staand torentje voor de Universiteit Twente. Het idee om het Nederlandse paviljoen op de Wereldtentoonstelling in Osaka in te richten met louter clichébeelden van Frankrijk ging niet door. Een verzameling van 25 klokken op het Rembrandtplein wel, en die werd bekritiseerd vanwege de kosten. Ook de ‘Nazomer-kerstboom’ die in 1969 op het Leidseplein werd neergezet, werd wisselend ontvangen: „Hier wordt de spot gedreven met de heiligste gevoelens van een groot deel van het Nederlandse volk”, oordeelde dominee L.L. Blok.
 

Grotere verwarring
 

De verbazing en verontwaardiging die zijn werk opriepen, bevielen Schippers goed, en dat was mogelijk een van de redenen om een breder publiek te gaan zoeken en voor de tv te gaan werken. Daar werd de verwarring nog groter. Hoepla was het eerste programma waarin hij – samen met Gied Jaspars, Wim van der Linden en Hans Verhagen – de grenzen van de Nederlandse burgersmaak in de jaren zestig opzocht. Hoepla werd beroemd dankzij Phil Bloom, die naakt of slechts gehuld in enkele plastic bloemen door het beeld paradeerde of Trouw zat te lezen. Het was overigens ook een interessant programma, met eigentijdse popcultuur en scherpe interviews.
 

In de jaren zeventig maakte Schippers programma’s rondom Fred Haché, Barend Servet en Sjef van Oekel, door Schippers bedachte personages die op het lijf geschreven waren van Harry Touw, IJf Blokker en Dolf Brouwers. In het muziekprogramma Sjef van Oekels discohoek kreeg een artiest maar zelden de kans om een liedje tot een goed einde te brengen, en optredens van ‘koningin Juliana’ en God waren voor de Nederlandse kijker ook aan de gewaagde kant.
 

Ontregeling
 

Toen er eens ‘Stop Barend Servet Show!’ in de krant stond, noemde Schippers dat „het mooiste dat me ooit is overkomen”. Het waren kruisingen tussen amusementsprogramma’s en sitcoms, waarbij de grens tussen fictie en werkelijkheid niet altijd helder was, en waarbij ontregeling centraal stond. Dat merkte Dolf Brouwers toen Schippers met Theo van den Boogaard stripverhalen ging maken met situaties die nog veel absurder waren dan op tv. Hij zag zijn beeltenis op papier in pornografische en scabreuze situaties terechtkomen en liep naar de rechter, tot verbazing van Schippers die hem louter als personage beschouwde. Er werd geschikt, waarbij Schippers enige concessies deed aan wat hij het personage Sjef van Oekel liet zeggen en doen.
 

Ook voor het theater en op de radio maakte Schippers bijzonder werk. Going to the Dogs (1986) werd wereldberoemd: een toneelstuk waarbij de rollen gespeeld werden door herdershonden en dat daadwerkelijk twee maal in de Amsterdamse Stadsschouwburg werd opgevoerd, voor een aanvankelijk geamuseerd, en verder steeds meer verveeld rakend publiek. Dat hoorde er ook bij: Schippers was altijd bezig met de verhouding tussen publiek en podium: „Neem nou eens zo’n gesprek als dit. Dát hoor je niet in een toneelstuk”, was een veelzeggende regel uit Evengoed nog een hele zit (1983).
Accepteer Social Media cookies om deze embedded content te kunnen zien.
 

Wilhelmina Kuttje jr.
 

En dan is er nog de radio: Ronflonflon was te horen op Hilversum 3, de voorganger van 3FM. Het is volkomen ondenkbaar dat die zender nu nog iets zou kunnen uitzenden als de collage van poëzie (Wilhelmina Kuttje jr.: ‘Herfst’, uit de bundel Herfst), filmtips van de constant scheten latende Jaap Knasterhuis (een rol van Rogier Proper), interviews en ‘kloteplaten’ die toen wekelijks midden op de dag te horen was.
 

In 1997 keerde Schippers weer terug op tv. Hij presenteerde dat jaar Zomergasten en deed dat opvallend ingetogen. Enkele jaren later werd hij de gastheer van een wetenschapsprogramma en van de Nationale Wetenschapsquiz, en ook bij deze programma’s was zijn optreden een stuk traditioneler dan in de jaren zeventig.
 

Schippers werd meerdere keren bekroond, in 1994 met de Zilveren Nipkowschijf voor zijn tv-werk, de David Roëllprijs voor zijn beeldende kunst, en in 2005 met de Jacobus van Looyprijs voor multi-talenten. Maar het publiek dat het best bestand is tegen humoristische anarchie bestaat waarschijnlijk uit kinderen, misschien daarom dat hij zo succesvol was in zijn langst durende rol: die van Kermit en Ernie in de Nederlandse versie van Sesamstraat.
 

Geen biografie
 

Over zijn persoonlijk leven was Schippers zeer terughoudend. Hij was lange tijd getrouwd met Ellen Jens (1940-2023), die ook veel van zijn tv-werk produceerde, maar heel veel meer is er niet bekend. De biografie die Ingmar Heytze en Vrouwkje Tuinman in voorbereiding hadden en die voor 2019 werd aangekondigd, Wie is u, werd in een laat stadium afgeblazen. De poging van Ru de Groen strandde al eerder („Ik wil helemaal geen biografie”) en hij schreef toen maar een monografie over het werk.
Schippers wilde niet gekend worden. Onbegrip en verwarring: daar ging het hem om. Meer dan tien jaar lang vertelde hij in interviews zo nu en dan bezig te zijn met een studie over het onderwerp, werktitel: Inleiding tot de verwarring, er verscheen zelfs een fragment in Vrij Nederland. „Laten wij iets zinvols zeggen over de durf, laten wij zeggen dat wij zeggen van hoepla en zwier. Voorts, voort, luidt de mening.” Die publicatie kwam er nooit; de praktijk was een leven lang buigzamer dan de theorie. 

 

 

Lees ook het nieuwsbericht van VRT NWS.  

6.14.2026

"Waarom betogen voor vrede nobel en nuttig is"


 

Waarom betogen voor vrede nobel en nuttig is
 
De mens is enerzijds een sociaal dier met een unieke waardigheid, en anderzijds een wolf voor zijn medemens. Deze stelling vertaalt de fundamentele insteek van zoveel miljarden mensen die liever persoonlijk en maatschappelijk in vrede dan in conflict leven. We beseffen dat de menselijke natuur haar kwade kanten heeft, maar de zelfzucht, onverschilligheid en graaicultus van een aantal burgers wegen niet op tegen het engagement, de werklust en het zin-zoeken van zoveel andere medeburgers.
 
De ervaring heeft ons geleerd dat een oorlog die onrecht of agressie bestrijdt al te vaak uitmondt in disproportioneel geweld dat voornamelijk massa’s burgerslachtoffers eist en het normale leven van burgers wegduwt in de banalisering van het kwaad.
 
De actieve geweldloosheid en het vredesnarratief steunen op openheid voor dialoog via preventieve diplomatie en conflictmanagement zodra een conflict wordt uitgevochten.
 
De bekende Franse 20ste-eeuwse filosoof en socioloog Raymond Aron beschrijft in een boek over de kettingoorlogen een onderscheid tussen de onmiddellijke en verre oorzaken van een conflict. Bijna elke oorlog en meer dan honderd vergeten conflicten wereldwijd zijn gebaseerd op een vernedering, waardoor de overwonnen vijand een toekomstige agressor wordt. Elk conflict draagt in zich een onevenwichtig vredesbestand, een gedeeltelijk verdrongen drang tot wraak.
 
Elk volk heeft het recht op zelfverdediging, maar wij pleiten binnen dit recht voor creatieve diplomatie en constructieve dialoog in plaats van een wapenwedloop. Een actieve diplomatie wordt succesvol als elke partij zich plaatst in het mentale gedragspatroon van de vijand. Waarom valt die partij mij aan? Het antwoord is vaak terug te vinden in een betere kennis van de geschiedenis.
 
Wij betreuren bij de huidige politici een gebrek aan historische visie en een afwezigheid van technieken van conflictmanagement. De lezer beseft niet hoe een cursus in dit onderwerp kan leiden tot pogingen tot verzoening. Tussen staten, tussen burgers, binnen elke familie of binnen zichzelf.
 
Wij aanvaarden geenszins de huidige oorlogspropaganda, de militarisering van de humanitaire en civiele geneeskunde en een diplomatie die afglijdt naar mercantiel winstbejag rond fossiele en kritische grondstoffen.
 
Betogen voor vrede is dus nuttig om diverse redenen: vrede bevordert de sociale cohesie. Vrede garandeert onze sociale zekerheid en economische ontwikkeling. Vrede bevordert onze persoonlijke vrijheid, ons autonoom denken. Vrede remt grote volksverplaatsingen en gedwongen migraties af. Vrede herinnert ons aan het levensbelang van mensenrechtenverklaringen, internationale verdragen, het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal humanitair recht.
 
De vredesactivist is geen utopische naïeveling, maar een reflecterend burger. Betogen is niet alleen een burgerrecht, maar vooral een protest om politici eraan te herinneren dat hun ‘onderdanen’ geen onmondige burgers en geen dronevlees zijn.
 
De betoging op zondag 14 juni in Brussel wordt een memorabele dag voor een nobel streefdoel. Vrede.
 
 
Door: Réginald Moreels, humanitair chirurg, gewezen minister en vredesactivist, & Rik Pinxten, professor emeritus antropologie en activist voor ethisch samenleven. 
 
 
 
 

 


 

 

Voor welzijn Tegen oorlog

 Europa plant 800 miljard euro extra voor wapens. Onze zorg, onderwijs, klimaat en sociale bescherming komen zwaar onder druk te staan. Op 14 juni vragen we om te kiezen voor vrede, sociale rechtvaardigheid, en investeringen in mensen!





6.09.2026

"Onderzoek doen naar religie is complex: simplisme over moslims zal ons niet verder helpen"

Arabist An Van Raemdonck (VUB en UGent) schreef een raak opiniestuk in Knack.  Ze reageerde op het ronduit trieste interview met Ruud Koopmans in Knack over migratie en integratie.

 

Kwalitatief en antropologisch onderzoek laat zien dat religiositeit onder moslimminderheden enorm varieert. Religiositeit biedt vaak precies een mentale en spirituele buffer en krachtbron om constructief samenleven mogelijk te maken en om met racisme en discriminatie om te gaan.



 

"De disciplinering van de armen, van Vives tot de actieve welvaartsstaat"

Vandaag een zeer lezenswaardige column over de Sociale Zekerheid, haar wortels en haar toekomst. Jan Dumolyn heeft dit in het kader van zijn vaste column Tragedie & Klucht in De Standaard.

 


 

 

 

De disciplinering van de armen, een geschiedenis van Juan Luis Vives tot de actieve welvaartsstaat van Frank Vandenbroucke

 

Het evenwicht in de sociale zekerheid is zoek, schrijft Jan Dumolyn. De nadruk ligt voor werklozen op sancties, terwijl ondernemers gunstregimes krijgen.

 

In 1526 publiceerde de humanist Juan Luis Vives De Subventione Pauperum, een traktaat over armenzorg. Vives, vandaag vooral bekend van de West-Vlaamse hogeschool die zijn naam draagt, woonde toen in Brugge. Als afstammeling van Valenciaanse Joden was hij voor de inquisitie naar Vlaanderen gevlucht. Zijn werk geldt als een van de eerste systematische teksten over wat we nu sociaal beleid zouden noemen. Armenzorg moest volgens de geleerde worden gecoördineerd door de stedelijke overheid, niet door verspreide liefdadigheid van particulieren en religieuze instellingen.

 

Behoeftigen moesten worden geregistreerd en ingedeeld naargelang ze al dan niet konden werken. Vives pleitte weliswaar voor de waardigheid van de armen, maar zijn voorstel, dat alleen in Ieper gedeeltelijk werd toegepast, betekende in de praktijk een vorm van disciplinering. Het idee dat armoede voortkwam uit luiheid en dat armen tot arbeid moesten worden aangezet of gedwongen, vond weerklank bij de elites en verspreidde zich tijdens de vroegmoderne periode over heel Europa.

 

In de vroegste samenlevingen vormde de familie het belangrijkste vangnet. In de oudheid bestonden soms beperkte vormen van publieke ondersteuning, zoals de Romeinse graanbedelingen die sociale onrust moesten voorkomen. Onder invloed van het christendom ontstond later een meer gestructureerde armenzorg. Kerken deelden voedsel uit, verzorgden zieken en boden onderdak aan reizigers en behoeftigen. Die christelijke caritas was echter niet gebaseerd op een recht op ondersteuning, maar eerder op het idee dat de rijken via aalmoezen hun zielenheil konden verzekeren.

 

In de middeleeuwen groeide bovendien het onderscheid tussen “waardige” armen, zoals mensen met een beperking, en “onwaardige” armen, zoals landlopers en gezonde werklozen. De zakaat, een van de vijf zuilen van de islam, had een verplichtender karakter: elke moslim die het zich kan veroorloven, moet volgens religieuze voorschriften bijdragen aan de ondersteuning van behoeftigen. Maar ook dat was geen moderne vorm van sociale zekerheid of structurele armoedebestrijding. Vanuit dat perspectief oogt een hedendaags, sterk gehypet initiatief als De Warmste Week eerder als een trieste stap achteruit.

 


Armenbussen

 

Want naast die paternalistische en caritatieve logica bestaat al eeuwen een andere visie op sociale zorg: het principe van het wederzijdse dienstbetoon. In de middeleeuwse en vroegmoderne steden kreeg onderlinge solidariteit vorm binnen de ambachtsgilden. Via gezamenlijke kassen, de zogenaamde “bussen”, spaarden leden voor ondersteuning bij ziekte, ouderdom of overlijden. Zo ontstond een vroege vorm van sociale verzekering van onderuit, zij het beperkt tot de eigen beroepsgroep en onderhevig aan morele regels. Een steenkapper die dronken van zijn stelling viel, kon bijvoorbeeld geen beroep doen op de armenbus.

 

Met de opkomst van het kapitalisme kwamen de gilden steeds meer onder druk te staan. Zo verdwenen veel traditionele beschermingsmechanismen zonder dat daar meteen volwaardige alternatieven voor in de plaats kwamen. De nadruk op controle en disciplinering van de ellendelingen, die al bij Vives aanwezig was, werd verder veralgemeend. Naar Hollands voorbeeld ontstonden in vele steden rasphuizen voor mannen, waar hout werd geraspt voor de verfindustrie, en spinhuizen voor vrouwen. Daar werden bedelaars en werkonwilligen aan dwangarbeid onderworpen. Ook in Gent werd in 1773 zo’n rasphuis opgericht. Het stervormige gebouw liet toe dat bewakers alle vleugels konden overzien. Lieven Bauwens, de held uit onze vaderlandse geschiedenis, liet de gevangenen tegen minimale voeding dwangarbeid verrichten, maar werd er uiteindelijk buitengezet, omdat de brutaliteit van deze entrepreneur zelfs naar de normen van zijn tijd te ver ging.

 

Arbeiders begonnen opnieuw zelf organisaties op te richten, waarin ze geld bijeenbrachten voor ziekte, werkloosheid en overlijden. Samen met vakverenigingen en coöperaties vormden die onderlinge fondsen de basis van de sociale zekerheid, die zich in België niet in de eerste plaats als een centraal overheidsproject ontwikkelde maar als een netwerk van initiatieven van onderop. Het systeem dat vanaf 1944 door staatsman Achiel Van Acker in het sociaal pact werd verankerd, combineerde uiteindelijk universele dekking met verplichte bijdragen, in een samenwerking tussen werkgevers, werknemers en de staat. Het was een historisch compromis tussen arbeid en kapitaal.

 


‘Actieve welvaartsstaat’

 

Dat compromis steunde echter op de uitzonderlijke economische groei van de naoorlogse decennia. Toen die hoogconjunctuur vanaf de crisis van de jaren 70 begon te haperen, kwam ook het fundament van de klassieke welvaartsstaat onder druk te staan. Tegen het einde van de twintigste eeuw herijkten de partijen die dat model hadden gedragen – ook de christendemocratie – hun aanpak, met de ‘actieve welvaartsstaat’ als nieuw sleutelbegrip. In België was en is Frank Vandenbroucke een van de belangrijkste pleitbezorgers van die visie. Het kernidee is eenvoudig: de welvaartsstaat kan alleen overeind blijven als mensen meer verantwoordelijkheid opnemen om actief deel te nemen aan de arbeidsmarkt. Hen streng tot werken aanzetten verschaft niet alleen inkomsten voor het sociale stelsel, maar beperkt ook het misbruik van sociale voorzieningen. Die redenering heeft onmiskenbaar een zekere logica.

 

Het zou uiteraard overdreven zijn om die benadering te vergelijken met de rasphuizen en spinhuizen van weleer. Toch valt op hoe de nadruk geleidelijk verschuift van solidariteit naar controle. De manier waarop langdurig zieken door sommige politici vandaag worden afgeschilderd heeft dan ook veel kritiek uitgelokt. Rond dat thema lijkt een bredere ideologische campagne op gang, waarin het beeld van de zogenaamd langdurige sociale profiteurs – ondanks hun beperkte aantal in de reële statistieken – weer helemaal centraal staat. 

 

Fraude moet absoluut worden aangepakt om een blijvend draagvlak voor ons sociaal model te behouden, maar de morele asymmetrie in het debat over activeringsprikkels is opvallend. Voor werklozen en zieken ligt de nadruk op sancties en gedragssturing. Voor ondernemers daarentegen worden incentives gecreëerd via lastenverlagingen en gunstregimes, en vaak ook minnelijke schikkingen of zelfs fiscale amnestie. Het contrast is moeilijk te negeren. In 2025 werd ongeveer 120 miljoen euro aan sociale uitkeringsfraude teruggevorderd, een bedrag dat veel aandacht krijgt. Maar wanneer in één bekend dossier een grote ondernemer 66 miljoen euro via belastingparadijzen aan de fiscus onttrekt, blijft de maatschappelijke verontwaardiging merkbaar beperkter. Nochtans zouden dergelijke bedragen een aanzienlijk sociaal programma kunnen financieren.

 

Tegelijk wordt de financiering van de sociale zekerheid al decennialang stapsgewijs uitgehold. Verlagingen van de patronale bijdragen hebben de inkomstenbasis verzwakt. Ook de recente uitbreiding van flexi-jobs, waarop dus geen sociale bijdragen worden betaald, dreigt op lange termijn een catastrofale hypotheek op het systeem te leggen. Ondertussen neemt het aandeel van kapitaalinkomsten in de totale welvaart toe, terwijl hun bijdrage aan de sociale zekerheid beperkt blijft. Ook een strengere aanpak van fiscale fraude zou aanzienlijk meer middelen kunnen opleveren. Toch daalde de opbrengst van de Bijzondere Belastinginspectie dit jaar met een derde. De politieke prioriteiten lijken elders te liggen. Het laaghangende fruit zit bij die aloude misérables en dus disciplineren we opnieuw de armen.

 


 

6.07.2026

de Ongelooflijke Podcast met Maarten van Rossem

Op deze zondag een podcast. De Ongelooflijke Podcast is steeds zeer interessant, met een breed spectrum van gasten die de nodige tijd krijgen om in te gaan op boeiende kwestie over onze samenleving en zinsgevingsvraagstukken. 

Vandaag Maarten van Rossem over de toestand van de wereld, Trump, de grootmachten, de positie van Europa. Maar ook over de zin van het leven en het belang van grote en kleine verhalen. 

 

 


Veel luisterplezier


6.04.2026

"Zonder middenveld zelfs geen N-VA"

De aanvallen van de neoliberale partijen op de mutualiteiten van de afgelopen tijd waren serieus. Verkocht als "effectiëntieoefening" is het een frontale aanval op het middenveld. Het middenveld is een essentieel deel van ons maatschappelijk weefsel, het is een pijler van onze verzorgingsstaat en een stevige verdedigingsmuur tegen neoliberale kaalslag. Miranda Ulens van ABVV kroop in haar pen en schreef een excellent opiniestuk.

 

 

Vlaams minister-president Matthias Diependaele stelt dat het middenveld een verdienmodel geworden is. Hij vergeet daarbij wie Vlaanderen welvarend heeft gemaakt, stelt Miranda Ulens.

 

We kennen het verhaal. Meer dan honderd jaar geleden was de Vlaming arm. Geen dokter als het kind ziek werd, geen loon als de fabriek sloot. Geen pensioen als het lichaam op was. Hij sprak een taal die in de rechtbank, op de universiteit en in het bedrijf nauwelijks meetelde. Hij stond onderaan, en zowat alles was erop gericht om hem daar te houden.

 

Hij is daar niet alleen uitgeraakt, en zeker niet met dank aan de markt. Hij raakte eruit omdat hij zich organiseerde. Kijk naar Gent, naar mijn eigen traditie. Daar bouwde Edward Anseele vanaf 1880 een wereld op uit het niets. Dankzij de coöperatieve bakkerij Vooruit had de arbeider brood. Met de Bond Moyson kwam er een ziekenkas. Er kwam nog meer: een bank, een feestlokaal, een krant.

 

August Vermeylen schreef rond 1900 dat we “Vlamingen moesten zijn om Europeërs te worden”. Hij maakte van de ontvoogding een culturele zaak, een kwestie van waardigheid, en verbond ze met de sociale strijd. De vernederlandsing van de universiteit, het recht om in de eigen taal te leren en te denken: dat is allemaal niet uit de lucht komen vallen, dat is bevochten. Door verenigingen, door de arbeidersbeweging, door wat we vandaag het middenveld noemen.

 

De sociale zekerheid die in 1944 werd vastgelegd, draaide niet rond een ministerie, maar rond die organisaties. De mutualiteit betaalt tot vandaag je terugbetaling uit. De vakbond beheert, via het Gentse stelsel, je werkloosheidsuitkering.

 

Het was een hele groep die zich via het collectief verhief, en daarbij was solidariteit geen gevoel, maar een techniek. Dat is de kern die minister-president Diependaele in Ninove wat gratuit oversloeg (DS 3 juni). De Vlaming is niet rijk geworden ondanks zijn vakbonden, mutualiteiten en verenigingen. Hij is rijk geworden dankzij hen. De zuilen als ladder.

 


Nieuwe hoofdrolspeler

 

Maar ergens in de jaren 70 kantelde dat verhaal. Na de gouden jaren 60 was Vlaanderen welvarend geworden. De Waalse zware industrie liep leeg, het zwaartepunt verschoof naar het noorden, en de armoede van de grootouders werd een herinnering. Er kwam een nieuwe hoofdrolspeler in beeld, en het was niet langer de arbeider. Het was de ondernemer.

 

Ook dat werd georganiseerd, met evenveel toewijding als waarmee Anseele zijn bakkerij had gebouwd. Figuren als Vaast Leysen en René De Feyter maakte van het Vlaams Economisch Verbond de strijdstem van de Vlaamse werkgevers. Ondernemerschap werd aan Vlaamse autonomie gekoppeld, het werd de kiem voor wat later Voka zou worden. Er kwam een eigen pers bij. De Financieel-Economische Tijd, in 1968 opgericht door het VEV. Trends in 1975, naar het model van het Amerikaanse Forbes, met de Vlaams-nationalist Lode Claes als eerste directeur. Zo kreeg de Vlaamse ondernemer een taal, en een blad, een eigen verhaal. 

 

Met de ondernemer als held werd individualisering de maat van alle dingen. Maar dat gaat voorbij aan alles wat dat individu heeft gevormd. De school, de wegen, openbare diensten, de zorg die anderen voor hem hebben gebouwd. Het collectief, het middenveld.

 

Er is niets mis mee, met ondernemen. Een land mag rijk worden, mag trots zijn op wie iets opbouwt. Het probleem is wat er met het geheugen is gebeurd. Hoe welvarender Vlaanderen werd, hoe meer het middenveld dat het had grootgebracht, als ballast begon te klinken. De ladder werd, voor wie bovenaan stond, een blok aan het been.

 


Demonisering

 

De N-VA is een politiek kind van dat rijkere, zelfbewuste Vlaanderen. Philippe Muyters stapte recht van de directie van Voka naar een ministerpost voor de N-VA. Johan Van Overtveldt ging van de redactie van Trends naar het ministerie van Financiën. En Bart De Wever heeft ooit, in een onbewaakt moment, gezegd dat Voka zijn echte baas is.

 

En nu heeft de N-VA een broertje dood aan het middenveld. De naoorlogse groei werkte net omdat dat middenveld mee aan tafel zat. Dat bouwt de N-VA stuk voor stuk af, vanuit een nationalistisch mensbeeld dat geen verschil verdraagt. Geen dialoog meer met kritische stemmen, wel demonisering, in de hoop dat de leden zwijgzaam meemarcheren. Diependaele wijst naar beneden. Naar het ziekenfonds, de vakbond, de vereniging die een subsidie krijgt. Zo droogt de kracht uit dat rijke middenveld op tot een dwangbuis van het eigen gelijk.

 

Maar het zijn de gewone mensen die deze welvaart steen na steen hebben opgebouwd. En precies daarom mag je hen niet uitspelen tegen wie het vandaag niet redt. Het is die solidariteit die wordt vergeten bij de Diependaeles van deze wereld. Diependaele zei: tijd om over te stappen. Ik zou zeggen: tijd om zich te herinneren via welke ladder we hier zijn geraakt. Zeker nu men gretig aan de poten ervan zaagt.