Posts tonen met het label katholiek onderwijs. Alle posts tonen
Posts tonen met het label katholiek onderwijs. Alle posts tonen

9.01.2026

Wat de zomer ons leert voor het nieuwe schooljaar

 Op deze eerste september een uitstekend opiniestuk van Bruno Vanobbergen van Katholiek Onderwijs Vlaanderen. 

 

 

Wat we van deze zomer moeten meenemen naar het nieuwe schooljaar

 

Het voorbije schooljaar ging het onderwijsdebat vaak over kennis. Terecht. Over lezen, rekenen, taalvaardigheid, minimumdoelen en een kennisrijk curriculum. Na jaren waarin vaardigheden en leerprocessen soms te los kwamen te staan van inhoud, groeit opnieuw het besef dat jonge mensen een stevige kennisbasis nodig hebben om de wereld te begrijpen.

 

Wie klimaatverandering wil doorgronden, moet iets weten van wetenschap. Wie migratie wil begrijpen, heeft kennis nodig van geschiedenis, economie en geopolitiek. Wie wil deelnemen aan het democratische debat, moet beschikken over taal, culturele referenties en historisch inzicht. Kennis is geen luxe. Ze is een toegangspoort tot de wereld.

 

Maar de zomer heeft ons eraan herinnerd dat de belangrijkste vraag over onderwijs dieper gaat. Niet alleen: wat moeten leerlingen kennen en kunnen? Maar ook: waartoe voeden wij hen op?

 

Wie de voorbije weken het nieuws volgde, kon moeilijk ontsnappen aan een gevoel van ongemak. Bossen gingen in vlammen op. Dorpen werden geëvacueerd. Aan de grenzen van Europa bleven mensen zoeken naar veiligheid, toekomst en waardigheid. En opnieuw werden we geconfronteerd met geweld tegen mensen omdat ze zijn wie ze zijn.

 

Op het eerste gezicht lijken het verschillende verhalen: een natuurbrand, een migratieroute, een aanslag. Maar misschien vertellen ze uiteindelijk hetzelfde verhaal. Dat wij leven in een wereld die kwetsbaarder, complexer en sterker met elkaar verbonden is geworden. Een wereld waarin snelle antwoorden verleidelijk zijn, maar steeds minder volstaan.

 

De les van deze zomer is niet dat we met afzonderlijke crisissen worden geconfronteerd. Ze is dat we leven binnen grenzen die we niet langer kunnen negeren: planetaire grenzen, maatschappelijke grenzen, democratische grenzen en ook persoonlijke grenzen. Vrijheid is geen grenzeloosheid. Samenleven is geen vanzelfsprekendheid. Waardigheid en gelijkheid zijn geen bezit, maar vragen telkens opnieuw bescherming.

 

Wanneer straks honderdduizenden leerlingen opnieuw door de schoolpoort stappen, dragen zij die wereld mee de klas binnen. Daarom is de start van een schooljaar meer dan een organisatorisch moment. Het is een vraag aan ons allemaal: welke samenleving willen wij doorgeven, en hoe helpen wij een nieuwe generatie om daarin haar plaats te vinden?

 

Kennis en wijsheid

 

De oproep tot meer kennis is terecht. Een samenleving heeft burgers nodig die begrijpen hoe wetenschap werkt, die historische ontwikkelingen kunnen plaatsen en complexe vraagstukken kunnen analyseren. De uitdagingen van deze tijd vragen geen oppervlakkigheid, maar diepgang.

 

Maar kennis alleen is niet genoeg. We hebben ook wijsheid nodig om met die kennis om te gaan. Een leerling kan leren hoe artificiële intelligentie werkt, maar daarmee is nog niet beantwoord waarvoor we technologie willen gebruiken. Een jongere kan leren welke processen klimaatverandering veroorzaken, maar daarmee is nog niet gezegd welke keuzes een samenleving moet maken.

 

Kennis helpt ons de wereld te begrijpen. Wijsheid helpt ons ons ertoe te verhouden. Daarom mag onderwijs niet worden vernauwd tot informatieoverdracht. Onderwijs gaat ook over leren onderscheiden wat waardevol is, omgaan met onzekerheid, leven met grenzen en ontdekken dat vrijheid verantwoordelijkheid vraagt.

 

In Contouren van een nieuw land beschrijft Floor Milkowski een samenleving die zoekt naar nieuwe vormen van verbondenheid. Niet omdat verschillen op zich een probleem zijn, maar omdat de plaatsen waar mensen elkaar werkelijk ontmoeten schaarser worden. We wonen vaker naast elkaar dan met elkaar. We informeren ons via verschillende werkelijkheden. We leven steeds vaker in werelden die elkaar nog nauwelijks raken.

 

Scholen voelen die ontwikkeling scherp aan. Terwijl de samenleving fragmenteert, verschijnt elke ochtend opnieuw een kleine afspiegeling van diezelfde samenleving aan de schoolpoort. In één klas zitten leerlingen met heel verschillende achtergronden, ervaringen, overtuigingen en verwachtingen. Dat is geen probleem dat scholen moeten oplossen. Dat is precies hun maatschappelijke opdracht.

 

De school als gemeenschappelijke grond

 

Een eerste opdracht van onderwijs is jongeren een gemeenschappelijke taal geven. In een samenleving waarin mensen steeds vaker in verschillende informatiewerelden leven, wordt een gedeelde taal kwetsbaar. We gebruiken dezelfde woorden, maar bedoelen niet altijd hetzelfde. Vrijheid, verantwoordelijkheid, identiteit, rechtvaardigheid, duurzaamheid en democratie worden hol wanneer ze niet gevoed worden door gedeelde kennis.

 

Daarom is een kennisrijk curriculum geen nostalgisch verlangen naar vroeger. Het is een democratische noodzaak. Wanneer leerlingen geschiedenis leren, ontdekken ze dat vrijheid nooit vanzelf is ontstaan. Wanneer ze kennismaken met wetenschap, leren ze hoe kennis wordt opgebouwd, getoetst en gecorrigeerd. Wanneer ze literatuur lezen, ontmoeten ze levens die niet de hunne zijn. Wanneer ze leren hoe democratie werkt, zien ze dat samenleven meer vraagt dan je eigen mening zeggen.

 

Dat gebeurt vandaag al in scholen die bewust inzetten op rijke taalontwikkeling, leesbevordering en een stevig curriculum. In klassen waar kinderen via verhalen, informatieve teksten, geschiedenis, aardrijkskunde en wetenschap niet alleen leren lezen, maar ook de wereld leren kennen. Begrijpend lezen is immers niet alleen taaltechniek. Het vraagt ook wereldkennis.

 

Een samenleving leeft niet alleen van wetten en instellingen. Ze leeft ook van verhalen, begrippen en herinneringen die mensen samen delen. Zonder die gedeelde taal praten we niet langer met elkaar, maar langs elkaar heen. Scholen kunnen dat niet alleen herstellen. Maar ze kunnen wel elke dag opnieuw bouwen aan de voorwaarden om elkaar te blijven verstaan.

 

De school als oefenplaats van ontmoeting

 

Een tweede opdracht is minstens even belangrijk. Scholen moeten plaatsen van ontmoeting blijven. In veel domeinen van het leven kiezen mensen steeds meer met wie ze omgaan. We wonen bij mensen die op ons lijken, volgen stemmen die onze kijk bevestigen en organiseren onze vrije tijd in vertrouwde kringen. De school is een van de weinige plaatsen waar die logica doorbroken wordt.

 

Leerlingen kiezen hun klasgenoten niet. Ze ontmoeten er kinderen en jongeren die anders spreken, geloven, denken of leven. Ze leren samenwerken met iemand die ze zelf niet zouden hebben gekozen. Ze botsen op verschillen in mening, tempo, gewoonten en achtergrond. Precies daarin schuilt een grote maatschappelijke waarde.

 

Wanneer een klas in gesprek gaat over migratie, wanneer leerlingen samenwerken aan een project rond klimaat, wanneer jongeren leren dat een meningsverschil geen reden hoeft te zijn om elkaar uit te sluiten, oefenen scholen elke dag opnieuw in democratie. Niet als vak apart. Niet als abstract ideaal. Maar als dagelijkse praktijk. Samenleven leer je niet door er alleen over te spreken. Je leert het door het te doen.

 

Jongeren ernstig nemen

 

Een derde opdracht is jongeren helpen verantwoordelijkheid opnemen. Daar moeten we voorzichtig zijn. De verleiding bestaat om de grote problemen van onze tijd op hun schouders te leggen. Alsof zij de klimaatcrisis moeten oplossen, de democratie moeten redden en de samenleving opnieuw moeten samenbrengen. Dat is niet alleen onrealistisch. Het is ook onrechtvaardig.

 

Het zijn niet de jongeren die deze problemen hebben veroorzaakt. De verantwoordelijkheid voor het heden ligt in de eerste plaats bij ons: beleidsmakers, organisaties, ondernemingen, middenveld, ouders en burgers. Tegelijk moeten we jongeren ernstig nemen wanneer ze zich uitspreken. We verwachten betrokken burgerschap, maar reageren ongemakkelijk wanneer jongeren dat ook werkelijk tonen.

 

De term klimaatspijbelaars, die enkele jaren geleden ingang vond, blijft mij daarom storen. Niet omdat jongeren boven kritiek verheven zijn. Wel omdat het woord iets denigrerends had. Alsof hun maatschappelijke bezorgdheid gereduceerd kon worden tot het ontlopen van een lesuur. Alsof hun engagement eerst verdacht moest worden gemaakt vooraleer we naar hun boodschap wilden luisteren.

 

Onderwijs heeft de opdracht jongeren ernstig te nemen. Niet door hen de verantwoordelijkheid voor alle problemen van vandaag op te leggen. Wel door hen te erkennen als mensen die vragen stellen, bezorgdheden uiten, engagement tonen en zoeken naar hun plaats in de samenleving. Wie jongeren wil vormen tot verantwoordelijke burgers, moet bereid zijn hen als burgers in wording te ontmoeten.

 

Dat gebeurt in scholen waar leerlingen mee nadenken over de vergroening van hun speelplaats, het gebruik van technologie op school of het dragen van religieuze symbolen op school. Niet omdat zulke projecten de klimaatcrisis of sociale ongelijkheid oplossen. Wel omdat jongeren ervaren dat verantwoordelijkheid begint in de directe omgeving waarin mensen samenleven. En vooral: dat verantwoordelijkheid nooit betekent dat alles van hen alleen afhangt.

 

De leraar maakt het verschil

 

Wanneer we over onderwijs spreken, hebben we het vaak over systemen, structuren en hervormingen: eindtermen, minimumdoelen, leerplannen, inspectie en evaluatie. Dat zijn belangrijke gesprekken. Maar telkens opnieuw dreigt uit beeld te verdwijnen waar onderwijs uiteindelijk gebeurt: in de ontmoeting tussen een leraar en een leerling.

 

Onderwijs is de plaats waar een samenleving zichzelf overdraagt aan een nieuwe generatie en tegelijk de mogelijkheid openhoudt om die samenleving te vernieuwen. Het bewaart en bevraagt. Het geeft door en opent. Het zegt aan jongeren: dit is de wereld waarin je aankomt. En tegelijk: deze wereld is niet af.

 

Dat is precies wat leraren elke dag doen. Zij brengen jongeren in contact met een wereld die groter is dan hun onmiddellijke ervaring. Zij bespreken klimaatverandering zonder jongeren te verlammen door schuldgevoel. Zij maken ruimte voor vragen waarop niemand een eenvoudig antwoord heeft. Zij helpen jongeren ontdekken dat complexe problemen niet verdwijnen door ze te ontkennen, maar ook niet door ze op de schouders van één generatie te leggen.

 

Een goede leraar zegt niet: los het maar op. Een goede leraar zegt: kijk naar de wereld, probeer haar te begrijpen en ontdek welke plaats jij erin kunt innemen. Hij of zij helpt leerlingen hun verontwaardiging om te zetten in inzicht, hun betrokkenheid te verdiepen met kennis en onderscheid te maken tussen feiten en meningen, overtuiging en vooroordeel, engagement en simplificatie.

 

Dat gebeurt vaak in kleine momenten: een moeilijk klasgesprek dat niet wordt ontweken, een leerling die woorden vindt voor ongerustheid, een tekst of experiment dat een nieuw venster opent. In een wereld van onmiddellijke reacties is jongeren leren vertragen, luisteren en afwegen bijna een radicale pedagogische daad.

 

Niet afschermen, maar voorbereiden

 

Veel onderwijsdebatten gaan vandaag terecht over bescherming: tegen desinformatie, online haat, discriminatie, prestatiedruk, polarisatie en klimaatangst. Die zorg is nodig. Maar bescherming mag geen afscherming worden. We bewijzen jongeren geen dienst door te doen alsof de wereld eenvoudiger is dan ze is, of door hen elke spanning te besparen.

 

Scholen zijn plaatsen waar jongeren stap voor stap kunnen oefenen met werkelijkheid: veilig, begeleid, met volwassenen nabij en met kennis die helpt om inzicht te krijgen. Dat is een onderschatte pedagogische opdracht: jongeren niet afschermen van spanning, maar hen leren erin te staan. Niet door hen hard te maken, wel door hen stevig te maken.

 

Hoop is een opdracht

 

Scholen zijn niet alleen plaatsen waar we leren samenleven. Ze zijn ook plaatsen waar we leren leven met de spanning van deze tijd.

 

De zomer heeft niet alleen getoond dat de wereld complex is. Ze heeft ook getoond dat gewoon doorgaan geen optie is. Bosbranden herinneren ons aan planetaire grenzen. Migratie confronteert ons met ongelijkheid in veiligheid en kansen. Geweld tegen mensen om wie ze zijn, toont hoe broos waardigheid en vrijheid blijven. Polarisatie maakt duidelijk dat democratie geen bezit is, maar een opdracht.

 

Onderwijs leert jongeren niet dat zij de wereld moeten redden. Het leert hen dat zij deel uitmaken van een wereld waarvoor mensen samen verantwoordelijkheid dragen. Dat is misschien de meest geloofwaardige vorm van hoop: niet de geruststelling dat alles vanzelf goed komt, maar het vertrouwen dat niemand er alleen voor staat.

 

Wie scholen bezoekt, ziet die hoop elke dag: in een leraar die blijft geloven in een leerling die dreigt af te haken, in een school die investeert in kinderen die thuis minder kansen krijgen, in een klas die ruimte maakt voor een nieuwkomer, in directeurs en leraren die blijven zoeken naar mogelijkheden wanneer anderen vooral beperkingen zien.

 

Hoop verschijnt in onderwijs zelden als groot woord. Ze verschijnt in kleine dagelijkse keuzes waarin volwassenen weigeren een kind te reduceren tot zijn resultaten, afkomst of kwetsbaarheid.

 

Ouders en scholen: een nieuw sociaal contract

 

Net daarom gaat dit verhaal niet alleen over leerlingen en leraren. Het gaat ook over ouders.

 

Als onderwijs jongeren leert omgaan met de grenzen van hun tijd, kan die opdracht niet alleen op de schouders van scholen rusten. Kinderen groeien op tussen thuis, school, buurt, media en samenleving. Wat daar gebeurt, hoeft niet samen te vallen, maar mag elkaar ook niet voortdurend ondergraven. Misschien hebben we daarom nood aan een nieuw sociaal contract tussen ouders en scholen.

 

De tijd dat ouders eenvoudig moesten aanvaarden wat een school besliste, ligt terecht achter ons. Ouders willen betrokken worden, vragen stellen en meedenken. Tegelijk staat het vertrouwen tussen ouders en scholen soms onder druk. Scholen voelen zich niet altijd gesteund. Ouders voelen zich niet altijd gehoord. Verschillen van inzicht worden sneller tegenstellingen.

 

Dat kunnen we ons steeds minder permitteren. Kinderen leren het best wanneer de volwassenen rondom hen elkaar weten te vinden. Dat vraagt ook oog voor verschillen tussen ouders. Sommigen vinden vanzelf hun weg naar school; anderen kennen de codes niet, beheersen de taal onvoldoende of dragen zelf weinig positieve schoolervaringen mee. Dat maakt hun betrokkenheid niet kleiner, wel kwetsbaarder.

 

Ook hier gaat het om vertrouwen. Hoe zorgen we dat school en thuis elkaar niet vervangen, maar versterken? Hoe maken we van onderwijs opnieuw een gedeelde opdracht? Een school vormt pas echt samenleving wanneer ook de volwassenen rond kinderen leren samenwerken aan een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid.

 

Welke samenleving willen wij worden?

 

Wanneer binnenkort opnieuw de schoolbel klinkt, begint meer dan een nieuw schooljaar. Dan begint opnieuw het werk van duizenden leraren die jonge mensen binnenleiden in een wereld die tegelijk mooi, kwetsbaar en complex is. Een wereld die nood heeft aan kennis, maar evenzeer aan wijsheid. Aan mensen die kunnen samenleven met verschil. Aan burgers die verantwoordelijkheid opnemen zonder te denken dat zij alles alleen moeten dragen.

 

Ergens zal een kind voor het eerst een school binnenstappen. Een andere leerling begint aan een laatste schooljaar. Nog een andere jongere zal twijfelen of school wel iets voor hem of haar betekent. Wat zij nodig hebben, zijn volwassenen die laten ervaren dat de wereld de moeite waard blijft om te begrijpen, dat zij er niet alleen voor staan en dat hun leven ertoe doet.

 

De taak van onderwijs is niet jongeren leren hoe zij de wereld moeten redden. De taak van onderwijs is hen uitnodigen in een wereld waarvoor wij samen verantwoordelijkheid dragen: leraren, ouders, scholen, verenigingen, beleidsmakers en burgers. Want de toekomst wordt niet gebouwd door één generatie. Ze ontstaat wanneer generaties elkaar ernstig nemen, van elkaar leren en samen de moed vinden om een andere weg in te slaan wanneer de oude niet langer volstaat.

 

De vraag aan het begin van dit schooljaar is daarom niet alleen wat leerlingen moeten kennen en kunnen. De echte vraag is welke samenleving wij samen willen worden.

 


 bron

5.16.2026

"Geef scholen wat tijd en ruimte"

Terwijl ik een schrikbarend aantal pagina's jaarwerk van mijn zesdes aan het doorlezen ben, laat minister van onderwijs Demir weer een kleine bom los op het onderwijs. 

Leerlingen mogen niet meer vroeger naar huis gestuurd worden als de leerkracht afwezig is. Opnieuw een maatregel die absoluut niets te maken heeft met onderwijskwaliteit of "de lat" maar alles met een hele enge visie op onderwijs als babysit. 

Een leerkracht die afwezig is, door ziekte bv, die mag niet gewoon afwezig of zelfs niet gewoon ziek zijn. Eigenlijk wordt er verwacht dat je uitgebreide mails stuurt naar de administratie en naar het leerlingensecretariaat met alle details van je lessenrooster voor die dag. Daarna moet je, of wordt er toch zeer sterk van jou verwacht, moet je taken voorzien, vervangopdrachten. De leerlingen moeten die taak dan maken in de studie. Het laatste lesuur van de dag worden leerlingen niet meer verwacht in de studiezaal, maar worden ze naar huis gestuurd. De vervangopdrachten krijgen ze dan meer als huiswerk. 

Zeg mij eens wat is de meerwaarde om leerlingen tot 16u15 in de studiezaal te laten zitten? Worden ze daar slimmer door? Krijgen ze daar meer kennis door? 

 

Ik plak hieronder het uitstekende opiniestuk van Bruno Vanobbergen, hoofd van Katholiek Onderwijs Vlaanderen. 

 

Geef scholen wat tijd en ruimte

 

We zitten in de laatste bocht van het schooljaar. In elke school stijgt dan de druk: examens, deliberaties, oudercontacten, studiekeuzes. Tegelijk leggen directie- en beleidsteams al de puzzel voor volgend jaar. Ze doen dat met toewijding, omdat het over leerlingen gaat en hun toekomst. Maar vandaag wordt die opdracht onnodig zwaar: nieuwe verwachtingen en besparingen volgen elkaar zo snel op dat scholen het niet meer kunnen verwerken zonder verlies aan rust, kwaliteit en werkbaarheid.

Terwijl scholen afronden, moeten ze tegelijk vooruit: personeel vastleggen, roosters bouwen, ondersteuning organiseren, afspraken maken met ouders en partners. Net dan besliste de Vlaamse regering maatregelen te nemen die een grote impact hebben op de dagelijkse schoolorganisatie. Er kwamen ook besparingen bij. Wie meer kwaliteit vraagt met minder draagkracht, moet extra zorgvuldig zijn met timing, randvoorwaarden en uitvoerbaarheid.

Wie vandaag een school leidt, ziet een groeiende actielijst die tegelijk moet landen: minimumdoelen en professionalisering rond effectieve didactiek in het basisonderwijs; inspiratiescholen die vanaf september mee het kennisrijk curriculum moeten trekken; ‘Goed Gedragen’ in het secundair, met gedragsexperten; en een versterkt taalbeleid. Elk initiatief is op zichzelf zinvol. Samen vormen ze een stapel die je niet wegwerkt met goede wil, maar met tijd, duidelijkheid en gerichte ondersteuning.

Onze directies zijn kwaad, vooral omdat ze zich niet ernstig genomen voelen in een opdracht die almaar complexer wordt. De opeenstapeling van beslissingen en besparingen creëert onrust en onzekerheid. Een school is een raderwerk: roosters, zorg, begeleiding, evaluatie, overleg, administratie, samenwerking met externen. Als je daar tegelijk nieuwe trajecten bovenop legt, stokt de voorbereiding voor volgend jaar. Directies zeggen: “We krijgen het niet meer rond.” De gevolgen zijn concreet: het raakt organisatorisch niet meer georganiseerd, de kwaliteit lijdt onder de haast en door jobverlies komt ook het sociaal weefsel van teams onder druk.

We staan voor noodzakelijke veranderingen in het Vlaamse onderwijs. Geef scholen de tijd om een stevig fundament te leggen. Onze hand blijft uitgestoken: maak samen met het werkveld scherpe keuzes over wat nu kan en wat beter doorschuift naar volgend schooljaar. Verbind ambitie aan haalbaarheid. Geef scholen zuurstof om kwaliteit waar te maken. Voor leerlingen, schoolteams en de toekomst van ons onderwijs.
 

11.04.2025

"Dialoog begint bij weten waar je zelf voor staat"

Levensbeschouwelijke vorming op school blijft een discussiepunt (in sommige kringen). Bruno Vanobbergen, directeur-generaal van het katholiek onderwijs, schreef een interessant opiniestuk.

 

Het vak rooms-katholieke godsdienst afschaffen leidt tot een verschraling van het onderwijs.

Het debat over de lestijden van de levensbeschouwelijke vakken in het Vlaamse onderwijs laait opnieuw op. Het Vlaamse regeerakkoord laat weinig aan de verbeelding over: de opsplitsing van leerlingen in het officiële onderwijs wordt gezien als een organisatorische hindernis, en daarom kiest men “voor een model met twee uur interlevensbeschouwelijke dialoog per week”.

Vorige week donderdag bleek uit een hoorzitting in het Vlaams Parlement dat de Vlaamse regering de knoop weldra wil doorhakken. Het model van de Franse Gemeenschap wordt daarbij als inspiratiebron genoemd: het levensbeschouwelijke onderwijs zoals we dat vandaag kennen wordt vervangen door ethiek, kritisch denken en actieve burgerschapsvorming.

Op het eerste gezicht klinkt dat als een frisse uitnodiging tot ontmoeting en uitwisseling. Maar wie verder kijkt, voelt een andere beweging sluimeren: de geleidelijke verschraling van de ruimte waarbinnen jonge mensen mogen stilstaan bij de grote vragen van het leven. Doen we er goed aan om levensbeschouwelijk onderwijs in te perken?

We pleiten uitdrukkelijk voor het behoud van levensbeschouwing in het onderwijs. Niet uit traditie, maar uit overtuiging. Onderwijs is meer dan kennisoverdracht, het is vorming, een oefening in menswording. De vrijheid van onderwijs garandeert juist die ruimte om vorming breed te zien, inclusief haar levensbeschouwelijke dimensie.

Wie jongeren serieus neemt, weet dat zij niet alleen kennis vergaren, maar ook zoeken naar betekenis. Hun vragen over goed en kwaad, over liefde en verlies, over hoop en toekomst verdienen een plek in de klas, net zoals de levensbeschouwelijke tradities en hun bril om naar die thema's en vragen te kijken, als inspiratiebron en uitdaging om er als leerling zelf mee aan de slag te gaan.

Geen indoctrinatie

Het vak rooms-katholieke godsdienst is geen indoctrinatie. Het is een uitnodiging tot dialoog, verwondering en zoeken. Het biedt een kader waarin leerlingen leren omgaan met onzekerheid en verschil, begeleid door een bewogen leraar die nabij blijft, zonder het laatste woord te claimen. Twee uur levensbeschouwelijk onderwijs per week zijn geen luxe, maar een ankerpunt in een samenleving die tegelijk superdivers is en onzeker over wat ons verbindt.

Dialoog tussen levensbeschouwingen is belangrijk, maar dialoog begint bij weten waar je zelf voor staat. Identiteit is een kompas, en levensbeschouwelijk onderwijs helpt jongeren dat kompas te gebruiken. Het biedt een houvast in een wereld die hectisch en complex aanvoelt.

Wij zijn geen neutrale organisatie. Onze diversiteit aan pedagogische projecten is geworteld in een traditie van meer dan tweeduizend jaar, maar zoekt voortdurend nieuwe betekenis. Het Bijbelse verhaal blijft een bron van inspiratie: niet als slogan, maar als houding tegenover de wereld. Het helpt ons onderwijs te zien als een oefening in verbondenheid en rechtvaardigheid. We bouwen scholen waar ieder kind, iedere jongere zich gezien en gedragen weet. Onderwijs is niet louter een instrument, het is een belofte: dat elke jongere een toekomst mag vinden.

Misschien is dat uiteindelijk de ware opdracht van onderwijs: geen kant-en-klare antwoorden aanreiken, maar ruimte scheppen voor de vragen die ertoe doen. In die ruimte kunnen kinderen en jongeren groeien tot mensen die verschil niet vrezen, maar erin leren te wonen. Het levensbeschouwelijke onderwijs herinnert ons eraan dat vorming begint waar verwondering nog mag bestaan.

 

9.17.2025

1.24.2025

tekort aan godsdienstleerkrachten: nu ook ongedoopt

Het lerarentekort laat zich in sommige vakken harder voelen dan in andere. De vakken levensbeschouwelijke vorming hebben te kampen met een serieus tekort. Twee uur per week in elke finaliteit, in elk jaar, dat zijn behoorlijk veel leerkrachten. 

In sommige scholen raken vacatures gewoon niet ingevuld. De erkende instantie Rooms-Katholieke Godsdienst heeft vandaag bekend gemaakt dat tijdelijke godsdienstleerkrachten in het katholiek secundair onderwijs niet meer verplicht gedoopt moeten zijn.



De media-aandacht hierrond kwam tot stand door een mededeling deze week in een nieuwsbrief van Katholiek Onderwijs Vlaanderen. De aanleiding hiervoor was een toelichting op hun directiecommissies n.a.v. het lerarentekort.
De voorwaarden tot het verkrijgen van een mandaat (en dus ook benoemingsvoorwaarden) blijven ongewijzigd:
(1) gedoopt zijn in de rooms-katholieke kerk, (2) beschikken over het juiste diploma , (3) zich engageren om het leerplan te volgen
Wat in de media vandaag aan bod komt, is een tijdelijke noodmaatregel die enkel van toepassing is in het katholiek onderwijs, in het bijzonder in het secundair onderwijs.

Daar waar voor lange tijd geen gemandateerde leraar godsdienst ter beschikking is, kunnen voortaan tijdelijk ook gemotiveerde en christelijk bewogen leraren in aanmerking komen die niet gedoopt zijn of over het geschikte diploma beschikken. Zij kunnen slechts tijdelijk ingezet worden (en dus niet vastbenoemd). Dat geldt bijvoorbeeld voor leraren zonder het geschikte diploma, zij dienen nog steeds de nodige kwalificaties te behalen voor een definitieve aanstelling. Ook niet-gedoopte leraren dienen zich om dezelfde reden in regel te stellen voor een definitieve aanstelling.

Het toekennen van de tijdelijke opdracht gebeurt steeds in nauw overleg tussen directie en inspecteur-adviseur. Deze leraren willen we ten volle mee ondersteunen en begeleiden om zo kwaliteitsvol mogelijk het leerplan te realiseren.
De zorg voor degelijk godsdienstonderwijs, zoals vandaag door het lerarenkorps wordt opgenomen, laten we ook vandaag niet los. Wij blijven inzetten op de christelijke betrokkenheid van leraren én op een gedegen vorming, zodat wij vandaag en morgen de levensbeschouwelijke groei van leerlingen kunnen blijven ondersteunen.

Erkende Instantie RKG
Inspectie-begeleiding RKG

 

8.27.2024

Lieven Boeve over de katholieke dialoogschool

DeWereldMorgen.be brengt een afscheidinterview met Lieven Boeve, jarenlang hét hoofd van het katholiek onderwijs. 

Hij gaat in op de katholieke dialoogschool, het hoofddoekenverbod, de toekomst van het godsdienstonderwijs en de brede eerste graad. 

 

 

 

 

12.28.2023

28 december, Godvergeten en het Katholiek Onderwijs

28 december, de dag van de onschuldige kinderen. Lieven Bouve, het hoofd van Katholiek Onderwijs Vlaanderen, maakte van de gelegenheid gebruik, niet voor kerstwensen, maar om aandacht te besteden aan Godvergeten en wat het katholiek onderwijs kan en moet doen. 

 

 Vandaag is het 28 december, dag van de onschuldige kinderen, naar het verhaal van Matteüs over de kindermoord door Herodes te Bethlehem. In Tertio van 20 december herinnert Roger Burggraeve eraan dat Kerstmis niet zomaar een gezellig feest is. Niet alleen was er geen plaats in de herberg (Lucas 2,7), maar na het bezoek van de wijzen die hem vragen waar de nieuwe koning geboren is, laat Herodes alle jongetjes van twee jaar en jonger ombrengen. Jezus ontsnapt dat lot omdat het gezin naar Egypte weet te ontkomen. De komst van de Messias als kwetsbaar kind roept onmiddellijk de krachten van de macht en het machtsbehoud in het verweer. Ook in het Johannesevangelie klinkt van bij de proloog dat met Jezus het licht in de wereld kwam, maar dat de wereld dat niet aannam.
 
‘Ik was kwetsbaar en jij hebt mij misbruikt’
Met Godvergeten is opnieuw pijnlijk zichtbaar geworden dat de krachten van de macht en het machtsbehoud ook binnen de kerk zelf vele kwetsbare kinderen en hun families onherroepelijk geschaad hebben: de harde realiteit van het historische kindermisbruik in de katholieke kerk, in katholieke scholen en internaten. Vooral twee lessen blijven na de uitzendingen bij: enerzijds de onherstelbaarheid van het leed dat slachtoffers aangedaan is; anderzijds het decennialange systemische onvermogen van het kerkinstituut en kerkelijke verantwoordelijken om dat kindermisbruik ernstig te nemen en daadkrachtig aan te pakken. En dat niet alleen in Vlaanderen maar wereldwijd.
 
Cijfers leren dat seksueel misbruik overal gebeurt waar kinderen zijn (en jammer genoeg veelal in familieverband). Echter: als kindermisbruik op één plaats nooít mag gebeuren, dan toch in een kerk die precies met Kerstmis de komst viert van het licht in een kwetsbaar kind. Nooit mag misbruik voorkomen op plaatsen die zijn geïnspireerd door dat evangelie, waar kinderen school lopen, op internaat verblijven, aan de zorg van kerkmensen zijn toevertrouwd. Meer nog: seksueel misbruik van kinderen is precies de absolute pervertering van die boodschap van liefde, en van de hoop en het vertrouwen die erin klinken. Onmiskenbaar is het de onvergefelijke ontkenning van datgene waarvoor het christelijk geloof staat: “Ik was kwetsbaar, en jij hebt mij misbruikt” (naar Matteüs 25,31-46).

Opdat we het nooit vergeten!
Het is daarom meer dan gepast om op deze 28ste december, de dag van de onschuldige kinderen, al die kinderen die in de voorbije decennia slachtoffer geworden zijn van kindermisbruik in onze scholen en internaten, in de kerk en kerkelijke instellingen, te gedenken. Het is zeker waar: sinds 2010 is er al veel gebeurd, ook en met name in de kerk, maar dat zal – jammer genoeg – nooit genoeg zijn. We mogen niet vergeten.

Velen van ons, vandaag actief in het katholiek onderwijs, waren zelf kinderen of nog niet geboren toen het misbruik zich in die grote mate in onze scholen en internaten voordeed. En ook al is de band van de kerk met het onderwijs ondertussen grondig veranderd, toch blijven de verhalen van misbruik gitzwarte bladzijden in het collectieve geheugen van onze onderwijsinstellingen. Ze plaatsen ons uitdrukkelijker dan ooit tevoren voor onze verantwoordelijkheid: laat ons nooit vergeten, opdat het nooit meer gebeurt! En als het toch nog gebeurt, laat ons die twee lessen onthouden: slachtoffers resoluut ernstig nemen en het misbruik daadkrachtig aanpakken, enerzijds; en, anderzijds, waakzaam zijn voor de systemische aspecten van misbruik en onze aanpak ervan waardoor slachtoffers een tweede keer slachtoffer dreigen te worden.

Opdat het nooit meer gebeurt!
Op 22 december was dat precies onze boodschap in de hoorzitting die de bijzondere commissie van het Vlaams parlement over kindermisbruik organiseerde over onderwijs: nooit vergeten opdat het nooit meer gebeurt. We wezen er onder meer op de engagementen die alle onderwijspartners in 2012 op zich genomen hebben om seksueel grensoverschrijdend gedrag aan te pakken en te voorkomen, maar ook op de lesimpulsen die Thomas biedt om met Godvergeten en de herinnering aan het kindermisbruik in de klas aan de slag te gaan. We rapporteerden over de gevallen van seksueel grensoverschrijdend gedrag tussen personeelsleden en leerlingen, tussen personeelsleden onderling, maar ook tussen leerlingen onderling, waarvoor onderwijsinstellingen bij Katholiek Onderwijs Vlaanderen en onze pedagogische begeleiding aankloppen. We gaven toelichting bij de integrale ondersteuning die we bieden aan onderwijsinstellingen waar zich incidenten voordoen. Ook de samenwerking met CLB, niet alleen bij incidenten op school maar zeker ook bij meldingen van verontrustende thuissituaties, kwam uitvoerig aan bod. Tegelijk kreeg de preventieve kant nadrukkelijk aandacht: het werken aan een verbindend schoolklimaat in een katholieke dialoogschool die inzet op dialoog en weerbaarheid, veerkracht en herstelgericht werken. We belichtten hoe onze leerplannen het omgaan met grenzen en (seksueel) grensoverschrijdend gedrag thematiseren. We illustreerden de tekst van de deontologie van de internaatsmedewerker, inclusief begeleidende materialen om daarover met het internaatsteam in gesprek te gaan. Ten slotte vermeldden we onze professionaliseringsinitiatieven voor eenieder die op school rond dit thema verantwoordelijkheid opneemt.
 
Ondertussen zijn we alle materialen en ondersteuningen die we vanuit Katholiek Onderwijs Vlaanderen bieden grondig aan het evalueren en updaten, en we plannen om ook de meest recente bevindingen en aanbevelingen, onder meer van de lopende parlementaire commissies, hierbij in rekening te brengen. Een stand van zaken hiervan bieden we op de studie- en vormingsdag voor besturen, directies, leerlingbegeleiders, zorgleraren en vertrouwenspersonen. Noteer alvast de datum, 29 mei 2024; je verneemt er later meer over.
 
Op bijzonder urgente wijze hebben de voorbije maanden ons, als schoolleiders en personeelsleden aan wie zovele kinderen dagelijks toevertrouwd worden, aangesproken. We zijn uitdrukkelijk herinnerd aan onze verantwoordelijkheid om van onze scholen en internaten veilige plekken te maken waar kinderen warm kunnen opgroeien. Laat ons meer dan ooit inzetten op een verbindend schoolklimaat en met leerlingen werken aan weerbaarheid, aan dialoog en conflictbemiddeling. Laat ons blijvend werk maken van kwaliteitsvolle relationele en seksuele vorming waarbij omgang met grenzen en grensoverschrijdend gedrag geleerd en ingeoefend wordt. Maar belangrijker nog: mogen onze onderwijsinstellingen plaatsen zijn waar we met zijn allen gevoelig en aandachtig zijn voor signalen van leerlingen die te maken hebben met (seksueel) grensoverschrijdend gedrag, van wie ook op school of in de omgeving van de school. Mogen ze plekken zijn waar we op dat ogenblik naar vertrouwensleraren, schoolleiding en CLB toestappen om spiralen van misbruik te voorkomen of te doorbreken. Pas dan werken we samen aan een veilige en warme school en internaat.
 
Opdat het nooit meer gebeurt.     
 
Lieven Boeve, directeur-generaal
28 december 2023