Posts tonen met het label Bruno Vanobbergen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bruno Vanobbergen. Alle posts tonen

5.19.2026

"Wie onderwijs wil versterken, moet ruimte durven geven"

De neoliberale besparingsregering en het beleid van Zuhal Demir zetten ons onderwijs onder grote druk. Bruno Vanobbergen, directeur-generaal van Katholiek Onderwijs Vlaanderen, schreef een opiniestuk om, nog maar eens, aan de alarmbel te trekken. Hij heeft het vooral over de houding van de overheid en de bevoegde minister en over hun kijk op de samenleving en de rol van het middenveld. 

 

 

 

 

De spanning in onze scholen is voelbaar. Ze kreunen onder een opeenstapeling van verwachtingen, regelgeving en maatschappelijke druk. Directies krijgen het niet meer georganiseerd en laten hun ongenoegen klinken. Tegelijk raast het beleid voort. 
 

 

Wie onderwijs wil versterken, moet ruimte durven geven

De spanning in ons onderwijs is voelbaar. Scholen kreunen onder een opeenstapeling van verwachtingen, regelgeving en maatschappelijke druk. Directies krijgen het niet meer georganiseerd en laten hun ongenoegen klinken. Tegelijk raast het beleid voort. In dat krachtenveld groeit het gevoel dat er nog maar één manier is om gehoord te worden: harder roepen, scherper reageren, conflict zoeken.

Maar wat als dat precies is wat ons verder van de kern afbrengt?

De reflex naar conflict is begrijpelijk. Wie met de rug tegen de muur staat, grijpt naar stevige taal. Toch dreigt in die dynamiek iets essentieels verloren te gaan: het inhoudelijke gesprek over wat goed onderwijs vandaag werkelijk vraagt. Wanneer het debat verschuift naar machtsverhoudingen, blijft de pedagogische opdracht te vaak op de achtergrond. Het middenveld staat daarbij voor een fundamentele keuze. Willen we een tegenmacht zijn die de confrontatie opzoekt, of een tegenkracht die richting geeft zonder het conflict nodig te hebben?

De voorbije jaren zien we hoe de verhouding tussen overheid en middenveld verschuift. Waar het middenveld ooit een brug vormde, dreigt het vandaag gereduceerd te worden tot een reactieve speler. De overheid bepaalt het tempo, het middenveld reageert. Die dynamiek is niet neutraal. Ze creëert een context waarin conflict bijna onvermijdelijk wordt. Wanneer beleid snel, sturend en soms zonder voldoende draagvlak wordt doorgevoerd, groeit de druk om via tegenmacht gehoord te worden. Maar precies daar ligt een gedeelde verantwoordelijkheid én dus ook een politieke verantwoordelijkheid. Want een middenveld dat voortdurend in de reactie wordt geduwd, kan zijn verbindende rol moeilijk waarmaken.

Als we tegenkracht zonder conflict ernstig nemen, dan vraagt dat meer dan een andere houding van het middenveld. Het vraagt ook een andere houding van de overheid. Tegenkracht veronderstelt ruimte. Ruimte om te vertragen. Ruimte om tegenspraak te organiseren. Ruimte om vanuit de praktijk mee richting te geven aan beleid. Wanneer die ruimte ontbreekt, verschraalt het middenveld onvermijdelijk tot een actor die zich moet roeren om gehoord te worden. Met andere woorden: een overheid die een volwassen middenveld wil, moet dat middenveld ook als volwaardige partner behandelen. Niet alleen in woorden, maar in de manier waarop beleid tot stand komt.

Dat betekent een fundamentele keuze. Tussen een overheid die vooral stuurt en controleert, en een overheid die bewust kiest voor partnerschap. Partnerschap is geen vrijblijvendheid. Het betekent duidelijke verwachtingen, transparantie en verantwoording. Maar het betekent evengoed dat expertise uit het veld niet louter wordt gehoord, maar ook effectief mee richting geeft. Dat vraagt tijd. Dialoog. De bereidheid om beleid bij te stellen.

En precies daar knelt het vandaag te vaak. In een context van politieke druk en hoge verwachtingen ligt de nadruk begrijpelijk op snelheid en zichtbaarheid. Maar goed onderwijsbeleid laat zich niet reduceren tot tempo alleen. Wie te snel gaat, riskeert het draagvlak te verliezen dat noodzakelijk is om duurzaam verschil te maken.

In dat licht wordt vertrouwen meer dan een pedagogisch principe. Het wordt een politieke keuze. Vertrouwen in scholen. In leerkrachten. In schoolleiderschap. In lokale gemeenschappen. Dat vertrouwen kan niet alleen geëist worden van het onderwijsveld. Het moet ook actief gegeven worden door de overheid. Door ruimte te creëren, door verantwoordelijkheid te delen, door niet elke onzekerheid te beantwoorden met bijkomende regels. Zonder dat vertrouwen ontstaat een paradox: we verwachten dat scholen eigenaarschap opnemen, maar organiseren tegelijk een systeem waarin die ruimte steeds kleiner wordt.

De kernvraag is uiteindelijk eenvoudig: wat hebben leerlingen en leerkrachten vandaag nodig? Het antwoord ligt niet in macht tegenover macht. Het ligt in verantwoordelijkheid naast verantwoordelijkheid. Dat vraagt twee gelijktijdige bewegingen. Van het middenveld: de keuze om tegenkracht te ontwikkelen die verdiept, vertraagt en richting geeft. Maar evenzeer van de overheid: de keuze om die tegenkracht mogelijk te maken. Door ruimte te laten, door partnerschap ernstig te nemen, en door te erkennen dat kwaliteit groeit vanuit vertrouwen en gedeelde verantwoordelijkheid. Een sterk middenveld ontstaat niet ondanks de overheid, maar dankzij een overheid die het toelaat en ondersteunt.

Voor het onderwijs betekent dit een herbronning. Terug naar de vraag waar het echt om gaat. Onderwijs is geen louter technisch proces, maar een relationeel en vormend gebeuren. Scholen zijn geen uitvoeringsorganisaties, maar gemeenschappen. Directies en leerkrachten zijn geen schakels in een systeem, maar pedagogische professionals.

Als we die kern ernstig nemen, dan wordt tegenkracht geen strategie van verzet, maar een vorm van verantwoordelijkheid. Niet tegen de overheid, maar samen met de overheid, elk vanuit een eigen rol. Maar dat samen veronderstelt wederkerigheid. En precies daar ligt vandaag misschien wel de belangrijkste opdracht voor de politiek: beleid voeren dat niet alleen richting geeft, maar ook ruimte laat. Niet door harder te sturen, maar door sterker te vertrouwen.


5.16.2026

"Geef scholen wat tijd en ruimte"

Terwijl ik een schrikbarend aantal pagina's jaarwerk van mijn zesdes aan het doorlezen ben, laat minister van onderwijs Demir weer een kleine bom los op het onderwijs. 

Leerlingen mogen niet meer vroeger naar huis gestuurd worden als de leerkracht afwezig is. Opnieuw een maatregel die absoluut niets te maken heeft met onderwijskwaliteit of "de lat" maar alles met een hele enge visie op onderwijs als babysit. 

Een leerkracht die afwezig is, door ziekte bv, die mag niet gewoon afwezig of zelfs niet gewoon ziek zijn. Eigenlijk wordt er verwacht dat je uitgebreide mails stuurt naar de administratie en naar het leerlingensecretariaat met alle details van je lessenrooster voor die dag. Daarna moet je, of wordt er toch zeer sterk van jou verwacht, moet je taken voorzien, vervangopdrachten. De leerlingen moeten die taak dan maken in de studie. Het laatste lesuur van de dag worden leerlingen niet meer verwacht in de studiezaal, maar worden ze naar huis gestuurd. De vervangopdrachten krijgen ze dan meer als huiswerk. 

Zeg mij eens wat is de meerwaarde om leerlingen tot 16u15 in de studiezaal te laten zitten? Worden ze daar slimmer door? Krijgen ze daar meer kennis door? 

 

Ik plak hieronder het uitstekende opiniestuk van Bruno Vanobbergen, hoofd van Katholiek Onderwijs Vlaanderen. 

 

Geef scholen wat tijd en ruimte

 

We zitten in de laatste bocht van het schooljaar. In elke school stijgt dan de druk: examens, deliberaties, oudercontacten, studiekeuzes. Tegelijk leggen directie- en beleidsteams al de puzzel voor volgend jaar. Ze doen dat met toewijding, omdat het over leerlingen gaat en hun toekomst. Maar vandaag wordt die opdracht onnodig zwaar: nieuwe verwachtingen en besparingen volgen elkaar zo snel op dat scholen het niet meer kunnen verwerken zonder verlies aan rust, kwaliteit en werkbaarheid.

Terwijl scholen afronden, moeten ze tegelijk vooruit: personeel vastleggen, roosters bouwen, ondersteuning organiseren, afspraken maken met ouders en partners. Net dan besliste de Vlaamse regering maatregelen te nemen die een grote impact hebben op de dagelijkse schoolorganisatie. Er kwamen ook besparingen bij. Wie meer kwaliteit vraagt met minder draagkracht, moet extra zorgvuldig zijn met timing, randvoorwaarden en uitvoerbaarheid.

Wie vandaag een school leidt, ziet een groeiende actielijst die tegelijk moet landen: minimumdoelen en professionalisering rond effectieve didactiek in het basisonderwijs; inspiratiescholen die vanaf september mee het kennisrijk curriculum moeten trekken; ‘Goed Gedragen’ in het secundair, met gedragsexperten; en een versterkt taalbeleid. Elk initiatief is op zichzelf zinvol. Samen vormen ze een stapel die je niet wegwerkt met goede wil, maar met tijd, duidelijkheid en gerichte ondersteuning.

Onze directies zijn kwaad, vooral omdat ze zich niet ernstig genomen voelen in een opdracht die almaar complexer wordt. De opeenstapeling van beslissingen en besparingen creëert onrust en onzekerheid. Een school is een raderwerk: roosters, zorg, begeleiding, evaluatie, overleg, administratie, samenwerking met externen. Als je daar tegelijk nieuwe trajecten bovenop legt, stokt de voorbereiding voor volgend jaar. Directies zeggen: “We krijgen het niet meer rond.” De gevolgen zijn concreet: het raakt organisatorisch niet meer georganiseerd, de kwaliteit lijdt onder de haast en door jobverlies komt ook het sociaal weefsel van teams onder druk.

We staan voor noodzakelijke veranderingen in het Vlaamse onderwijs. Geef scholen de tijd om een stevig fundament te leggen. Onze hand blijft uitgestoken: maak samen met het werkveld scherpe keuzes over wat nu kan en wat beter doorschuift naar volgend schooljaar. Verbind ambitie aan haalbaarheid. Geef scholen zuurstof om kwaliteit waar te maken. Voor leerlingen, schoolteams en de toekomst van ons onderwijs.
 

11.04.2025

"Dialoog begint bij weten waar je zelf voor staat"

Levensbeschouwelijke vorming op school blijft een discussiepunt (in sommige kringen). Bruno Vanobbergen, directeur-generaal van het katholiek onderwijs, schreef een interessant opiniestuk.

 

Het vak rooms-katholieke godsdienst afschaffen leidt tot een verschraling van het onderwijs.

Het debat over de lestijden van de levensbeschouwelijke vakken in het Vlaamse onderwijs laait opnieuw op. Het Vlaamse regeerakkoord laat weinig aan de verbeelding over: de opsplitsing van leerlingen in het officiële onderwijs wordt gezien als een organisatorische hindernis, en daarom kiest men “voor een model met twee uur interlevensbeschouwelijke dialoog per week”.

Vorige week donderdag bleek uit een hoorzitting in het Vlaams Parlement dat de Vlaamse regering de knoop weldra wil doorhakken. Het model van de Franse Gemeenschap wordt daarbij als inspiratiebron genoemd: het levensbeschouwelijke onderwijs zoals we dat vandaag kennen wordt vervangen door ethiek, kritisch denken en actieve burgerschapsvorming.

Op het eerste gezicht klinkt dat als een frisse uitnodiging tot ontmoeting en uitwisseling. Maar wie verder kijkt, voelt een andere beweging sluimeren: de geleidelijke verschraling van de ruimte waarbinnen jonge mensen mogen stilstaan bij de grote vragen van het leven. Doen we er goed aan om levensbeschouwelijk onderwijs in te perken?

We pleiten uitdrukkelijk voor het behoud van levensbeschouwing in het onderwijs. Niet uit traditie, maar uit overtuiging. Onderwijs is meer dan kennisoverdracht, het is vorming, een oefening in menswording. De vrijheid van onderwijs garandeert juist die ruimte om vorming breed te zien, inclusief haar levensbeschouwelijke dimensie.

Wie jongeren serieus neemt, weet dat zij niet alleen kennis vergaren, maar ook zoeken naar betekenis. Hun vragen over goed en kwaad, over liefde en verlies, over hoop en toekomst verdienen een plek in de klas, net zoals de levensbeschouwelijke tradities en hun bril om naar die thema's en vragen te kijken, als inspiratiebron en uitdaging om er als leerling zelf mee aan de slag te gaan.

Geen indoctrinatie

Het vak rooms-katholieke godsdienst is geen indoctrinatie. Het is een uitnodiging tot dialoog, verwondering en zoeken. Het biedt een kader waarin leerlingen leren omgaan met onzekerheid en verschil, begeleid door een bewogen leraar die nabij blijft, zonder het laatste woord te claimen. Twee uur levensbeschouwelijk onderwijs per week zijn geen luxe, maar een ankerpunt in een samenleving die tegelijk superdivers is en onzeker over wat ons verbindt.

Dialoog tussen levensbeschouwingen is belangrijk, maar dialoog begint bij weten waar je zelf voor staat. Identiteit is een kompas, en levensbeschouwelijk onderwijs helpt jongeren dat kompas te gebruiken. Het biedt een houvast in een wereld die hectisch en complex aanvoelt.

Wij zijn geen neutrale organisatie. Onze diversiteit aan pedagogische projecten is geworteld in een traditie van meer dan tweeduizend jaar, maar zoekt voortdurend nieuwe betekenis. Het Bijbelse verhaal blijft een bron van inspiratie: niet als slogan, maar als houding tegenover de wereld. Het helpt ons onderwijs te zien als een oefening in verbondenheid en rechtvaardigheid. We bouwen scholen waar ieder kind, iedere jongere zich gezien en gedragen weet. Onderwijs is niet louter een instrument, het is een belofte: dat elke jongere een toekomst mag vinden.

Misschien is dat uiteindelijk de ware opdracht van onderwijs: geen kant-en-klare antwoorden aanreiken, maar ruimte scheppen voor de vragen die ertoe doen. In die ruimte kunnen kinderen en jongeren groeien tot mensen die verschil niet vrezen, maar erin leren te wonen. Het levensbeschouwelijke onderwijs herinnert ons eraan dat vorming begint waar verwondering nog mag bestaan.

 

3.17.2025

Demir bezoekt "strenge scholen" in Engeland

Demir ging als stunt op 'bezoek bij de strengste school van Engeland". 

 

De insteek was op ze'n NVA's "streng" en "de lat hoog". Dooddoeners dus. Van het niveau van een verzuurde wortel.

 

 Er was nogal wat volk mee met de minister, gelukkig hadden de experts zinvollere dingen te zeggen.  

 

Onderwijsexpert Tim Surma van hogeschool Thomas More noemt het een beangstigende vorm van doorgedreven perfectie: “Er gaat geen seconde lestijd verloren. Deze manier van lesgeven is heel intensief voor zowel leerlingen als leerkrachten. De leerkracht in mij wil af en toe ook zo kunnen lesgeven, maar in andere lessen wil ik wel nog buiten de lijntjes kunnen kleuren, wat hier moeilijk gaat.”

Paul Buyck van de methodescholen ziet enkele gelijkenissen, zoals het belang van werken in stilte. Maar hij vreest bij dit soort onderwijs voor de erg beperkte ruimte voor de leerkracht om een eigen pedagogisch project te kunnen waarmaken. 

Koen Pelleriaux van het GO! is vooral in de andere scholen onder de indruk van het Engelse teamwerk om de lessen kennisrijk op te bouwen en uit te denken: “We moeten leerkrachten meer stimuleren om samen te werken, al zal dat in sommige scholen niet evident zijn.”

Bruno Vanobbergen van Katholiek Onderwijs Vlaanderen zou het zonde vinden om een karikatuur van de Michaela school te maken: “Deze school kiest bewust om er preventief op in te zetten om ook de meest kansarme leerlingen permanent bij de les te houden en hoge resultaten te kunnen neerzetten. Het is interessant om daar ook op onze scholen bewuster over na te denken. Al hoeft ons antwoord niet hetzelfde te zijn als hier.”

Ook Walentina Cools van OVSG apprecieert de visie om elk kind maximale kansen te geven, maar mist voor de leerlingen hier een pauzeknop. Dat beaamt de minister: “Ik zou deze leerlingen na dat harde werk een beetje meer rust gunnen tijdens de middagpauze en meer tijd vrijmaken voor sport en kunst. Maar we kunnen wel lessen trekken uit de manier waarop ze hier geen lestijd verliezen door een cultuur van orde en routines.”

 

bron

 

 

De Zevende Dag ging op bezoek in Sint-Bavo.  "Minister Demir zou beter hier eens komen kijken"

 

 bron