Posts tonen met het label Bruno Vanobbergen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bruno Vanobbergen. Alle posts tonen

9.01.2026

Wat de zomer ons leert voor het nieuwe schooljaar

 Op deze eerste september een uitstekend opiniestuk van Bruno Vanobbergen van Katholiek Onderwijs Vlaanderen. 

 

 

Wat we van deze zomer moeten meenemen naar het nieuwe schooljaar

 

Het voorbije schooljaar ging het onderwijsdebat vaak over kennis. Terecht. Over lezen, rekenen, taalvaardigheid, minimumdoelen en een kennisrijk curriculum. Na jaren waarin vaardigheden en leerprocessen soms te los kwamen te staan van inhoud, groeit opnieuw het besef dat jonge mensen een stevige kennisbasis nodig hebben om de wereld te begrijpen.

 

Wie klimaatverandering wil doorgronden, moet iets weten van wetenschap. Wie migratie wil begrijpen, heeft kennis nodig van geschiedenis, economie en geopolitiek. Wie wil deelnemen aan het democratische debat, moet beschikken over taal, culturele referenties en historisch inzicht. Kennis is geen luxe. Ze is een toegangspoort tot de wereld.

 

Maar de zomer heeft ons eraan herinnerd dat de belangrijkste vraag over onderwijs dieper gaat. Niet alleen: wat moeten leerlingen kennen en kunnen? Maar ook: waartoe voeden wij hen op?

 

Wie de voorbije weken het nieuws volgde, kon moeilijk ontsnappen aan een gevoel van ongemak. Bossen gingen in vlammen op. Dorpen werden geëvacueerd. Aan de grenzen van Europa bleven mensen zoeken naar veiligheid, toekomst en waardigheid. En opnieuw werden we geconfronteerd met geweld tegen mensen omdat ze zijn wie ze zijn.

 

Op het eerste gezicht lijken het verschillende verhalen: een natuurbrand, een migratieroute, een aanslag. Maar misschien vertellen ze uiteindelijk hetzelfde verhaal. Dat wij leven in een wereld die kwetsbaarder, complexer en sterker met elkaar verbonden is geworden. Een wereld waarin snelle antwoorden verleidelijk zijn, maar steeds minder volstaan.

 

De les van deze zomer is niet dat we met afzonderlijke crisissen worden geconfronteerd. Ze is dat we leven binnen grenzen die we niet langer kunnen negeren: planetaire grenzen, maatschappelijke grenzen, democratische grenzen en ook persoonlijke grenzen. Vrijheid is geen grenzeloosheid. Samenleven is geen vanzelfsprekendheid. Waardigheid en gelijkheid zijn geen bezit, maar vragen telkens opnieuw bescherming.

 

Wanneer straks honderdduizenden leerlingen opnieuw door de schoolpoort stappen, dragen zij die wereld mee de klas binnen. Daarom is de start van een schooljaar meer dan een organisatorisch moment. Het is een vraag aan ons allemaal: welke samenleving willen wij doorgeven, en hoe helpen wij een nieuwe generatie om daarin haar plaats te vinden?

 

Kennis en wijsheid

 

De oproep tot meer kennis is terecht. Een samenleving heeft burgers nodig die begrijpen hoe wetenschap werkt, die historische ontwikkelingen kunnen plaatsen en complexe vraagstukken kunnen analyseren. De uitdagingen van deze tijd vragen geen oppervlakkigheid, maar diepgang.

 

Maar kennis alleen is niet genoeg. We hebben ook wijsheid nodig om met die kennis om te gaan. Een leerling kan leren hoe artificiële intelligentie werkt, maar daarmee is nog niet beantwoord waarvoor we technologie willen gebruiken. Een jongere kan leren welke processen klimaatverandering veroorzaken, maar daarmee is nog niet gezegd welke keuzes een samenleving moet maken.

 

Kennis helpt ons de wereld te begrijpen. Wijsheid helpt ons ons ertoe te verhouden. Daarom mag onderwijs niet worden vernauwd tot informatieoverdracht. Onderwijs gaat ook over leren onderscheiden wat waardevol is, omgaan met onzekerheid, leven met grenzen en ontdekken dat vrijheid verantwoordelijkheid vraagt.

 

In Contouren van een nieuw land beschrijft Floor Milkowski een samenleving die zoekt naar nieuwe vormen van verbondenheid. Niet omdat verschillen op zich een probleem zijn, maar omdat de plaatsen waar mensen elkaar werkelijk ontmoeten schaarser worden. We wonen vaker naast elkaar dan met elkaar. We informeren ons via verschillende werkelijkheden. We leven steeds vaker in werelden die elkaar nog nauwelijks raken.

 

Scholen voelen die ontwikkeling scherp aan. Terwijl de samenleving fragmenteert, verschijnt elke ochtend opnieuw een kleine afspiegeling van diezelfde samenleving aan de schoolpoort. In één klas zitten leerlingen met heel verschillende achtergronden, ervaringen, overtuigingen en verwachtingen. Dat is geen probleem dat scholen moeten oplossen. Dat is precies hun maatschappelijke opdracht.

 

De school als gemeenschappelijke grond

 

Een eerste opdracht van onderwijs is jongeren een gemeenschappelijke taal geven. In een samenleving waarin mensen steeds vaker in verschillende informatiewerelden leven, wordt een gedeelde taal kwetsbaar. We gebruiken dezelfde woorden, maar bedoelen niet altijd hetzelfde. Vrijheid, verantwoordelijkheid, identiteit, rechtvaardigheid, duurzaamheid en democratie worden hol wanneer ze niet gevoed worden door gedeelde kennis.

 

Daarom is een kennisrijk curriculum geen nostalgisch verlangen naar vroeger. Het is een democratische noodzaak. Wanneer leerlingen geschiedenis leren, ontdekken ze dat vrijheid nooit vanzelf is ontstaan. Wanneer ze kennismaken met wetenschap, leren ze hoe kennis wordt opgebouwd, getoetst en gecorrigeerd. Wanneer ze literatuur lezen, ontmoeten ze levens die niet de hunne zijn. Wanneer ze leren hoe democratie werkt, zien ze dat samenleven meer vraagt dan je eigen mening zeggen.

 

Dat gebeurt vandaag al in scholen die bewust inzetten op rijke taalontwikkeling, leesbevordering en een stevig curriculum. In klassen waar kinderen via verhalen, informatieve teksten, geschiedenis, aardrijkskunde en wetenschap niet alleen leren lezen, maar ook de wereld leren kennen. Begrijpend lezen is immers niet alleen taaltechniek. Het vraagt ook wereldkennis.

 

Een samenleving leeft niet alleen van wetten en instellingen. Ze leeft ook van verhalen, begrippen en herinneringen die mensen samen delen. Zonder die gedeelde taal praten we niet langer met elkaar, maar langs elkaar heen. Scholen kunnen dat niet alleen herstellen. Maar ze kunnen wel elke dag opnieuw bouwen aan de voorwaarden om elkaar te blijven verstaan.

 

De school als oefenplaats van ontmoeting

 

Een tweede opdracht is minstens even belangrijk. Scholen moeten plaatsen van ontmoeting blijven. In veel domeinen van het leven kiezen mensen steeds meer met wie ze omgaan. We wonen bij mensen die op ons lijken, volgen stemmen die onze kijk bevestigen en organiseren onze vrije tijd in vertrouwde kringen. De school is een van de weinige plaatsen waar die logica doorbroken wordt.

 

Leerlingen kiezen hun klasgenoten niet. Ze ontmoeten er kinderen en jongeren die anders spreken, geloven, denken of leven. Ze leren samenwerken met iemand die ze zelf niet zouden hebben gekozen. Ze botsen op verschillen in mening, tempo, gewoonten en achtergrond. Precies daarin schuilt een grote maatschappelijke waarde.

 

Wanneer een klas in gesprek gaat over migratie, wanneer leerlingen samenwerken aan een project rond klimaat, wanneer jongeren leren dat een meningsverschil geen reden hoeft te zijn om elkaar uit te sluiten, oefenen scholen elke dag opnieuw in democratie. Niet als vak apart. Niet als abstract ideaal. Maar als dagelijkse praktijk. Samenleven leer je niet door er alleen over te spreken. Je leert het door het te doen.

 

Jongeren ernstig nemen

 

Een derde opdracht is jongeren helpen verantwoordelijkheid opnemen. Daar moeten we voorzichtig zijn. De verleiding bestaat om de grote problemen van onze tijd op hun schouders te leggen. Alsof zij de klimaatcrisis moeten oplossen, de democratie moeten redden en de samenleving opnieuw moeten samenbrengen. Dat is niet alleen onrealistisch. Het is ook onrechtvaardig.

 

Het zijn niet de jongeren die deze problemen hebben veroorzaakt. De verantwoordelijkheid voor het heden ligt in de eerste plaats bij ons: beleidsmakers, organisaties, ondernemingen, middenveld, ouders en burgers. Tegelijk moeten we jongeren ernstig nemen wanneer ze zich uitspreken. We verwachten betrokken burgerschap, maar reageren ongemakkelijk wanneer jongeren dat ook werkelijk tonen.

 

De term klimaatspijbelaars, die enkele jaren geleden ingang vond, blijft mij daarom storen. Niet omdat jongeren boven kritiek verheven zijn. Wel omdat het woord iets denigrerends had. Alsof hun maatschappelijke bezorgdheid gereduceerd kon worden tot het ontlopen van een lesuur. Alsof hun engagement eerst verdacht moest worden gemaakt vooraleer we naar hun boodschap wilden luisteren.

 

Onderwijs heeft de opdracht jongeren ernstig te nemen. Niet door hen de verantwoordelijkheid voor alle problemen van vandaag op te leggen. Wel door hen te erkennen als mensen die vragen stellen, bezorgdheden uiten, engagement tonen en zoeken naar hun plaats in de samenleving. Wie jongeren wil vormen tot verantwoordelijke burgers, moet bereid zijn hen als burgers in wording te ontmoeten.

 

Dat gebeurt in scholen waar leerlingen mee nadenken over de vergroening van hun speelplaats, het gebruik van technologie op school of het dragen van religieuze symbolen op school. Niet omdat zulke projecten de klimaatcrisis of sociale ongelijkheid oplossen. Wel omdat jongeren ervaren dat verantwoordelijkheid begint in de directe omgeving waarin mensen samenleven. En vooral: dat verantwoordelijkheid nooit betekent dat alles van hen alleen afhangt.

 

De leraar maakt het verschil

 

Wanneer we over onderwijs spreken, hebben we het vaak over systemen, structuren en hervormingen: eindtermen, minimumdoelen, leerplannen, inspectie en evaluatie. Dat zijn belangrijke gesprekken. Maar telkens opnieuw dreigt uit beeld te verdwijnen waar onderwijs uiteindelijk gebeurt: in de ontmoeting tussen een leraar en een leerling.

 

Onderwijs is de plaats waar een samenleving zichzelf overdraagt aan een nieuwe generatie en tegelijk de mogelijkheid openhoudt om die samenleving te vernieuwen. Het bewaart en bevraagt. Het geeft door en opent. Het zegt aan jongeren: dit is de wereld waarin je aankomt. En tegelijk: deze wereld is niet af.

 

Dat is precies wat leraren elke dag doen. Zij brengen jongeren in contact met een wereld die groter is dan hun onmiddellijke ervaring. Zij bespreken klimaatverandering zonder jongeren te verlammen door schuldgevoel. Zij maken ruimte voor vragen waarop niemand een eenvoudig antwoord heeft. Zij helpen jongeren ontdekken dat complexe problemen niet verdwijnen door ze te ontkennen, maar ook niet door ze op de schouders van één generatie te leggen.

 

Een goede leraar zegt niet: los het maar op. Een goede leraar zegt: kijk naar de wereld, probeer haar te begrijpen en ontdek welke plaats jij erin kunt innemen. Hij of zij helpt leerlingen hun verontwaardiging om te zetten in inzicht, hun betrokkenheid te verdiepen met kennis en onderscheid te maken tussen feiten en meningen, overtuiging en vooroordeel, engagement en simplificatie.

 

Dat gebeurt vaak in kleine momenten: een moeilijk klasgesprek dat niet wordt ontweken, een leerling die woorden vindt voor ongerustheid, een tekst of experiment dat een nieuw venster opent. In een wereld van onmiddellijke reacties is jongeren leren vertragen, luisteren en afwegen bijna een radicale pedagogische daad.

 

Niet afschermen, maar voorbereiden

 

Veel onderwijsdebatten gaan vandaag terecht over bescherming: tegen desinformatie, online haat, discriminatie, prestatiedruk, polarisatie en klimaatangst. Die zorg is nodig. Maar bescherming mag geen afscherming worden. We bewijzen jongeren geen dienst door te doen alsof de wereld eenvoudiger is dan ze is, of door hen elke spanning te besparen.

 

Scholen zijn plaatsen waar jongeren stap voor stap kunnen oefenen met werkelijkheid: veilig, begeleid, met volwassenen nabij en met kennis die helpt om inzicht te krijgen. Dat is een onderschatte pedagogische opdracht: jongeren niet afschermen van spanning, maar hen leren erin te staan. Niet door hen hard te maken, wel door hen stevig te maken.

 

Hoop is een opdracht

 

Scholen zijn niet alleen plaatsen waar we leren samenleven. Ze zijn ook plaatsen waar we leren leven met de spanning van deze tijd.

 

De zomer heeft niet alleen getoond dat de wereld complex is. Ze heeft ook getoond dat gewoon doorgaan geen optie is. Bosbranden herinneren ons aan planetaire grenzen. Migratie confronteert ons met ongelijkheid in veiligheid en kansen. Geweld tegen mensen om wie ze zijn, toont hoe broos waardigheid en vrijheid blijven. Polarisatie maakt duidelijk dat democratie geen bezit is, maar een opdracht.

 

Onderwijs leert jongeren niet dat zij de wereld moeten redden. Het leert hen dat zij deel uitmaken van een wereld waarvoor mensen samen verantwoordelijkheid dragen. Dat is misschien de meest geloofwaardige vorm van hoop: niet de geruststelling dat alles vanzelf goed komt, maar het vertrouwen dat niemand er alleen voor staat.

 

Wie scholen bezoekt, ziet die hoop elke dag: in een leraar die blijft geloven in een leerling die dreigt af te haken, in een school die investeert in kinderen die thuis minder kansen krijgen, in een klas die ruimte maakt voor een nieuwkomer, in directeurs en leraren die blijven zoeken naar mogelijkheden wanneer anderen vooral beperkingen zien.

 

Hoop verschijnt in onderwijs zelden als groot woord. Ze verschijnt in kleine dagelijkse keuzes waarin volwassenen weigeren een kind te reduceren tot zijn resultaten, afkomst of kwetsbaarheid.

 

Ouders en scholen: een nieuw sociaal contract

 

Net daarom gaat dit verhaal niet alleen over leerlingen en leraren. Het gaat ook over ouders.

 

Als onderwijs jongeren leert omgaan met de grenzen van hun tijd, kan die opdracht niet alleen op de schouders van scholen rusten. Kinderen groeien op tussen thuis, school, buurt, media en samenleving. Wat daar gebeurt, hoeft niet samen te vallen, maar mag elkaar ook niet voortdurend ondergraven. Misschien hebben we daarom nood aan een nieuw sociaal contract tussen ouders en scholen.

 

De tijd dat ouders eenvoudig moesten aanvaarden wat een school besliste, ligt terecht achter ons. Ouders willen betrokken worden, vragen stellen en meedenken. Tegelijk staat het vertrouwen tussen ouders en scholen soms onder druk. Scholen voelen zich niet altijd gesteund. Ouders voelen zich niet altijd gehoord. Verschillen van inzicht worden sneller tegenstellingen.

 

Dat kunnen we ons steeds minder permitteren. Kinderen leren het best wanneer de volwassenen rondom hen elkaar weten te vinden. Dat vraagt ook oog voor verschillen tussen ouders. Sommigen vinden vanzelf hun weg naar school; anderen kennen de codes niet, beheersen de taal onvoldoende of dragen zelf weinig positieve schoolervaringen mee. Dat maakt hun betrokkenheid niet kleiner, wel kwetsbaarder.

 

Ook hier gaat het om vertrouwen. Hoe zorgen we dat school en thuis elkaar niet vervangen, maar versterken? Hoe maken we van onderwijs opnieuw een gedeelde opdracht? Een school vormt pas echt samenleving wanneer ook de volwassenen rond kinderen leren samenwerken aan een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid.

 

Welke samenleving willen wij worden?

 

Wanneer binnenkort opnieuw de schoolbel klinkt, begint meer dan een nieuw schooljaar. Dan begint opnieuw het werk van duizenden leraren die jonge mensen binnenleiden in een wereld die tegelijk mooi, kwetsbaar en complex is. Een wereld die nood heeft aan kennis, maar evenzeer aan wijsheid. Aan mensen die kunnen samenleven met verschil. Aan burgers die verantwoordelijkheid opnemen zonder te denken dat zij alles alleen moeten dragen.

 

Ergens zal een kind voor het eerst een school binnenstappen. Een andere leerling begint aan een laatste schooljaar. Nog een andere jongere zal twijfelen of school wel iets voor hem of haar betekent. Wat zij nodig hebben, zijn volwassenen die laten ervaren dat de wereld de moeite waard blijft om te begrijpen, dat zij er niet alleen voor staan en dat hun leven ertoe doet.

 

De taak van onderwijs is niet jongeren leren hoe zij de wereld moeten redden. De taak van onderwijs is hen uitnodigen in een wereld waarvoor wij samen verantwoordelijkheid dragen: leraren, ouders, scholen, verenigingen, beleidsmakers en burgers. Want de toekomst wordt niet gebouwd door één generatie. Ze ontstaat wanneer generaties elkaar ernstig nemen, van elkaar leren en samen de moed vinden om een andere weg in te slaan wanneer de oude niet langer volstaat.

 

De vraag aan het begin van dit schooljaar is daarom niet alleen wat leerlingen moeten kennen en kunnen. De echte vraag is welke samenleving wij samen willen worden.

 


 bron

5.19.2026

"Wie onderwijs wil versterken, moet ruimte durven geven"

De neoliberale besparingsregering en het beleid van Zuhal Demir zetten ons onderwijs onder grote druk. Bruno Vanobbergen, directeur-generaal van Katholiek Onderwijs Vlaanderen, schreef een opiniestuk om, nog maar eens, aan de alarmbel te trekken. Hij heeft het vooral over de houding van de overheid en de bevoegde minister en over hun kijk op de samenleving en de rol van het middenveld. 

 

 

 

 

De spanning in onze scholen is voelbaar. Ze kreunen onder een opeenstapeling van verwachtingen, regelgeving en maatschappelijke druk. Directies krijgen het niet meer georganiseerd en laten hun ongenoegen klinken. Tegelijk raast het beleid voort. 
 

 

Wie onderwijs wil versterken, moet ruimte durven geven

De spanning in ons onderwijs is voelbaar. Scholen kreunen onder een opeenstapeling van verwachtingen, regelgeving en maatschappelijke druk. Directies krijgen het niet meer georganiseerd en laten hun ongenoegen klinken. Tegelijk raast het beleid voort. In dat krachtenveld groeit het gevoel dat er nog maar één manier is om gehoord te worden: harder roepen, scherper reageren, conflict zoeken.

Maar wat als dat precies is wat ons verder van de kern afbrengt?

De reflex naar conflict is begrijpelijk. Wie met de rug tegen de muur staat, grijpt naar stevige taal. Toch dreigt in die dynamiek iets essentieels verloren te gaan: het inhoudelijke gesprek over wat goed onderwijs vandaag werkelijk vraagt. Wanneer het debat verschuift naar machtsverhoudingen, blijft de pedagogische opdracht te vaak op de achtergrond. Het middenveld staat daarbij voor een fundamentele keuze. Willen we een tegenmacht zijn die de confrontatie opzoekt, of een tegenkracht die richting geeft zonder het conflict nodig te hebben?

De voorbije jaren zien we hoe de verhouding tussen overheid en middenveld verschuift. Waar het middenveld ooit een brug vormde, dreigt het vandaag gereduceerd te worden tot een reactieve speler. De overheid bepaalt het tempo, het middenveld reageert. Die dynamiek is niet neutraal. Ze creëert een context waarin conflict bijna onvermijdelijk wordt. Wanneer beleid snel, sturend en soms zonder voldoende draagvlak wordt doorgevoerd, groeit de druk om via tegenmacht gehoord te worden. Maar precies daar ligt een gedeelde verantwoordelijkheid én dus ook een politieke verantwoordelijkheid. Want een middenveld dat voortdurend in de reactie wordt geduwd, kan zijn verbindende rol moeilijk waarmaken.

Als we tegenkracht zonder conflict ernstig nemen, dan vraagt dat meer dan een andere houding van het middenveld. Het vraagt ook een andere houding van de overheid. Tegenkracht veronderstelt ruimte. Ruimte om te vertragen. Ruimte om tegenspraak te organiseren. Ruimte om vanuit de praktijk mee richting te geven aan beleid. Wanneer die ruimte ontbreekt, verschraalt het middenveld onvermijdelijk tot een actor die zich moet roeren om gehoord te worden. Met andere woorden: een overheid die een volwassen middenveld wil, moet dat middenveld ook als volwaardige partner behandelen. Niet alleen in woorden, maar in de manier waarop beleid tot stand komt.

Dat betekent een fundamentele keuze. Tussen een overheid die vooral stuurt en controleert, en een overheid die bewust kiest voor partnerschap. Partnerschap is geen vrijblijvendheid. Het betekent duidelijke verwachtingen, transparantie en verantwoording. Maar het betekent evengoed dat expertise uit het veld niet louter wordt gehoord, maar ook effectief mee richting geeft. Dat vraagt tijd. Dialoog. De bereidheid om beleid bij te stellen.

En precies daar knelt het vandaag te vaak. In een context van politieke druk en hoge verwachtingen ligt de nadruk begrijpelijk op snelheid en zichtbaarheid. Maar goed onderwijsbeleid laat zich niet reduceren tot tempo alleen. Wie te snel gaat, riskeert het draagvlak te verliezen dat noodzakelijk is om duurzaam verschil te maken.

In dat licht wordt vertrouwen meer dan een pedagogisch principe. Het wordt een politieke keuze. Vertrouwen in scholen. In leerkrachten. In schoolleiderschap. In lokale gemeenschappen. Dat vertrouwen kan niet alleen geëist worden van het onderwijsveld. Het moet ook actief gegeven worden door de overheid. Door ruimte te creëren, door verantwoordelijkheid te delen, door niet elke onzekerheid te beantwoorden met bijkomende regels. Zonder dat vertrouwen ontstaat een paradox: we verwachten dat scholen eigenaarschap opnemen, maar organiseren tegelijk een systeem waarin die ruimte steeds kleiner wordt.

De kernvraag is uiteindelijk eenvoudig: wat hebben leerlingen en leerkrachten vandaag nodig? Het antwoord ligt niet in macht tegenover macht. Het ligt in verantwoordelijkheid naast verantwoordelijkheid. Dat vraagt twee gelijktijdige bewegingen. Van het middenveld: de keuze om tegenkracht te ontwikkelen die verdiept, vertraagt en richting geeft. Maar evenzeer van de overheid: de keuze om die tegenkracht mogelijk te maken. Door ruimte te laten, door partnerschap ernstig te nemen, en door te erkennen dat kwaliteit groeit vanuit vertrouwen en gedeelde verantwoordelijkheid. Een sterk middenveld ontstaat niet ondanks de overheid, maar dankzij een overheid die het toelaat en ondersteunt.

Voor het onderwijs betekent dit een herbronning. Terug naar de vraag waar het echt om gaat. Onderwijs is geen louter technisch proces, maar een relationeel en vormend gebeuren. Scholen zijn geen uitvoeringsorganisaties, maar gemeenschappen. Directies en leerkrachten zijn geen schakels in een systeem, maar pedagogische professionals.

Als we die kern ernstig nemen, dan wordt tegenkracht geen strategie van verzet, maar een vorm van verantwoordelijkheid. Niet tegen de overheid, maar samen met de overheid, elk vanuit een eigen rol. Maar dat samen veronderstelt wederkerigheid. En precies daar ligt vandaag misschien wel de belangrijkste opdracht voor de politiek: beleid voeren dat niet alleen richting geeft, maar ook ruimte laat. Niet door harder te sturen, maar door sterker te vertrouwen.


5.16.2026

"Geef scholen wat tijd en ruimte"

Terwijl ik een schrikbarend aantal pagina's jaarwerk van mijn zesdes aan het doorlezen ben, laat minister van onderwijs Demir weer een kleine bom los op het onderwijs. 

Leerlingen mogen niet meer vroeger naar huis gestuurd worden als de leerkracht afwezig is. Opnieuw een maatregel die absoluut niets te maken heeft met onderwijskwaliteit of "de lat" maar alles met een hele enge visie op onderwijs als babysit. 

Een leerkracht die afwezig is, door ziekte bv, die mag niet gewoon afwezig of zelfs niet gewoon ziek zijn. Eigenlijk wordt er verwacht dat je uitgebreide mails stuurt naar de administratie en naar het leerlingensecretariaat met alle details van je lessenrooster voor die dag. Daarna moet je, of wordt er toch zeer sterk van jou verwacht, moet je taken voorzien, vervangopdrachten. De leerlingen moeten die taak dan maken in de studie. Het laatste lesuur van de dag worden leerlingen niet meer verwacht in de studiezaal, maar worden ze naar huis gestuurd. De vervangopdrachten krijgen ze dan meer als huiswerk. 

Zeg mij eens wat is de meerwaarde om leerlingen tot 16u15 in de studiezaal te laten zitten? Worden ze daar slimmer door? Krijgen ze daar meer kennis door? 

 

Ik plak hieronder het uitstekende opiniestuk van Bruno Vanobbergen, hoofd van Katholiek Onderwijs Vlaanderen. 

 

Geef scholen wat tijd en ruimte

 

We zitten in de laatste bocht van het schooljaar. In elke school stijgt dan de druk: examens, deliberaties, oudercontacten, studiekeuzes. Tegelijk leggen directie- en beleidsteams al de puzzel voor volgend jaar. Ze doen dat met toewijding, omdat het over leerlingen gaat en hun toekomst. Maar vandaag wordt die opdracht onnodig zwaar: nieuwe verwachtingen en besparingen volgen elkaar zo snel op dat scholen het niet meer kunnen verwerken zonder verlies aan rust, kwaliteit en werkbaarheid.

Terwijl scholen afronden, moeten ze tegelijk vooruit: personeel vastleggen, roosters bouwen, ondersteuning organiseren, afspraken maken met ouders en partners. Net dan besliste de Vlaamse regering maatregelen te nemen die een grote impact hebben op de dagelijkse schoolorganisatie. Er kwamen ook besparingen bij. Wie meer kwaliteit vraagt met minder draagkracht, moet extra zorgvuldig zijn met timing, randvoorwaarden en uitvoerbaarheid.

Wie vandaag een school leidt, ziet een groeiende actielijst die tegelijk moet landen: minimumdoelen en professionalisering rond effectieve didactiek in het basisonderwijs; inspiratiescholen die vanaf september mee het kennisrijk curriculum moeten trekken; ‘Goed Gedragen’ in het secundair, met gedragsexperten; en een versterkt taalbeleid. Elk initiatief is op zichzelf zinvol. Samen vormen ze een stapel die je niet wegwerkt met goede wil, maar met tijd, duidelijkheid en gerichte ondersteuning.

Onze directies zijn kwaad, vooral omdat ze zich niet ernstig genomen voelen in een opdracht die almaar complexer wordt. De opeenstapeling van beslissingen en besparingen creëert onrust en onzekerheid. Een school is een raderwerk: roosters, zorg, begeleiding, evaluatie, overleg, administratie, samenwerking met externen. Als je daar tegelijk nieuwe trajecten bovenop legt, stokt de voorbereiding voor volgend jaar. Directies zeggen: “We krijgen het niet meer rond.” De gevolgen zijn concreet: het raakt organisatorisch niet meer georganiseerd, de kwaliteit lijdt onder de haast en door jobverlies komt ook het sociaal weefsel van teams onder druk.

We staan voor noodzakelijke veranderingen in het Vlaamse onderwijs. Geef scholen de tijd om een stevig fundament te leggen. Onze hand blijft uitgestoken: maak samen met het werkveld scherpe keuzes over wat nu kan en wat beter doorschuift naar volgend schooljaar. Verbind ambitie aan haalbaarheid. Geef scholen zuurstof om kwaliteit waar te maken. Voor leerlingen, schoolteams en de toekomst van ons onderwijs.
 

11.04.2025

"Dialoog begint bij weten waar je zelf voor staat"

Levensbeschouwelijke vorming op school blijft een discussiepunt (in sommige kringen). Bruno Vanobbergen, directeur-generaal van het katholiek onderwijs, schreef een interessant opiniestuk.

 

Het vak rooms-katholieke godsdienst afschaffen leidt tot een verschraling van het onderwijs.

Het debat over de lestijden van de levensbeschouwelijke vakken in het Vlaamse onderwijs laait opnieuw op. Het Vlaamse regeerakkoord laat weinig aan de verbeelding over: de opsplitsing van leerlingen in het officiële onderwijs wordt gezien als een organisatorische hindernis, en daarom kiest men “voor een model met twee uur interlevensbeschouwelijke dialoog per week”.

Vorige week donderdag bleek uit een hoorzitting in het Vlaams Parlement dat de Vlaamse regering de knoop weldra wil doorhakken. Het model van de Franse Gemeenschap wordt daarbij als inspiratiebron genoemd: het levensbeschouwelijke onderwijs zoals we dat vandaag kennen wordt vervangen door ethiek, kritisch denken en actieve burgerschapsvorming.

Op het eerste gezicht klinkt dat als een frisse uitnodiging tot ontmoeting en uitwisseling. Maar wie verder kijkt, voelt een andere beweging sluimeren: de geleidelijke verschraling van de ruimte waarbinnen jonge mensen mogen stilstaan bij de grote vragen van het leven. Doen we er goed aan om levensbeschouwelijk onderwijs in te perken?

We pleiten uitdrukkelijk voor het behoud van levensbeschouwing in het onderwijs. Niet uit traditie, maar uit overtuiging. Onderwijs is meer dan kennisoverdracht, het is vorming, een oefening in menswording. De vrijheid van onderwijs garandeert juist die ruimte om vorming breed te zien, inclusief haar levensbeschouwelijke dimensie.

Wie jongeren serieus neemt, weet dat zij niet alleen kennis vergaren, maar ook zoeken naar betekenis. Hun vragen over goed en kwaad, over liefde en verlies, over hoop en toekomst verdienen een plek in de klas, net zoals de levensbeschouwelijke tradities en hun bril om naar die thema's en vragen te kijken, als inspiratiebron en uitdaging om er als leerling zelf mee aan de slag te gaan.

Geen indoctrinatie

Het vak rooms-katholieke godsdienst is geen indoctrinatie. Het is een uitnodiging tot dialoog, verwondering en zoeken. Het biedt een kader waarin leerlingen leren omgaan met onzekerheid en verschil, begeleid door een bewogen leraar die nabij blijft, zonder het laatste woord te claimen. Twee uur levensbeschouwelijk onderwijs per week zijn geen luxe, maar een ankerpunt in een samenleving die tegelijk superdivers is en onzeker over wat ons verbindt.

Dialoog tussen levensbeschouwingen is belangrijk, maar dialoog begint bij weten waar je zelf voor staat. Identiteit is een kompas, en levensbeschouwelijk onderwijs helpt jongeren dat kompas te gebruiken. Het biedt een houvast in een wereld die hectisch en complex aanvoelt.

Wij zijn geen neutrale organisatie. Onze diversiteit aan pedagogische projecten is geworteld in een traditie van meer dan tweeduizend jaar, maar zoekt voortdurend nieuwe betekenis. Het Bijbelse verhaal blijft een bron van inspiratie: niet als slogan, maar als houding tegenover de wereld. Het helpt ons onderwijs te zien als een oefening in verbondenheid en rechtvaardigheid. We bouwen scholen waar ieder kind, iedere jongere zich gezien en gedragen weet. Onderwijs is niet louter een instrument, het is een belofte: dat elke jongere een toekomst mag vinden.

Misschien is dat uiteindelijk de ware opdracht van onderwijs: geen kant-en-klare antwoorden aanreiken, maar ruimte scheppen voor de vragen die ertoe doen. In die ruimte kunnen kinderen en jongeren groeien tot mensen die verschil niet vrezen, maar erin leren te wonen. Het levensbeschouwelijke onderwijs herinnert ons eraan dat vorming begint waar verwondering nog mag bestaan.

 

3.17.2025

Demir bezoekt "strenge scholen" in Engeland

Demir ging als stunt op 'bezoek bij de strengste school van Engeland". 

 

De insteek was op ze'n NVA's "streng" en "de lat hoog". Dooddoeners dus. Van het niveau van een verzuurde wortel.

 

 Er was nogal wat volk mee met de minister, gelukkig hadden de experts zinvollere dingen te zeggen.  

 

Onderwijsexpert Tim Surma van hogeschool Thomas More noemt het een beangstigende vorm van doorgedreven perfectie: “Er gaat geen seconde lestijd verloren. Deze manier van lesgeven is heel intensief voor zowel leerlingen als leerkrachten. De leerkracht in mij wil af en toe ook zo kunnen lesgeven, maar in andere lessen wil ik wel nog buiten de lijntjes kunnen kleuren, wat hier moeilijk gaat.”

Paul Buyck van de methodescholen ziet enkele gelijkenissen, zoals het belang van werken in stilte. Maar hij vreest bij dit soort onderwijs voor de erg beperkte ruimte voor de leerkracht om een eigen pedagogisch project te kunnen waarmaken. 

Koen Pelleriaux van het GO! is vooral in de andere scholen onder de indruk van het Engelse teamwerk om de lessen kennisrijk op te bouwen en uit te denken: “We moeten leerkrachten meer stimuleren om samen te werken, al zal dat in sommige scholen niet evident zijn.”

Bruno Vanobbergen van Katholiek Onderwijs Vlaanderen zou het zonde vinden om een karikatuur van de Michaela school te maken: “Deze school kiest bewust om er preventief op in te zetten om ook de meest kansarme leerlingen permanent bij de les te houden en hoge resultaten te kunnen neerzetten. Het is interessant om daar ook op onze scholen bewuster over na te denken. Al hoeft ons antwoord niet hetzelfde te zijn als hier.”

Ook Walentina Cools van OVSG apprecieert de visie om elk kind maximale kansen te geven, maar mist voor de leerlingen hier een pauzeknop. Dat beaamt de minister: “Ik zou deze leerlingen na dat harde werk een beetje meer rust gunnen tijdens de middagpauze en meer tijd vrijmaken voor sport en kunst. Maar we kunnen wel lessen trekken uit de manier waarop ze hier geen lestijd verliezen door een cultuur van orde en routines.”

 

bron

 

 

De Zevende Dag ging op bezoek in Sint-Bavo.  "Minister Demir zou beter hier eens komen kijken"

 

 bron