Voor iedereen een vrolijke en een gezegende Sint Pannekoek, een aloude Rotterdamse traditie ... uit 1986.
Een prachtig verhaal van Jan Kruis, uit de stripreeks Jan, Jans en de Kinderen.
Hier blogt uw Kameraad Harko, kwestie van iedereen die het ook maar vaag zou kunnen interesseren op de hoogte te houden. Uw kameraad blogt over de zaken die hem interesseren, zoals (religieus) erfgoed, geschiedenis, maar ook de betere muziek!
Voor iedereen een vrolijke en een gezegende Sint Pannekoek, een aloude Rotterdamse traditie ... uit 1986.
Een prachtig verhaal van Jan Kruis, uit de stripreeks Jan, Jans en de Kinderen.
Op deze zondag een kleine video, geen hemeltergende actualiteit, geen fraai streepje muziek, maar een video over een bijzonder glas, de molenbeker.
Adriaan Duiveman geeft tekst en uitleg bij een interessant stuk uit de collectie van Museum M. Een glas gebruikt in een drankspel, met bijzonder veel symboliek.
Het Erfgoedhuis | Zusters van Liefde bewaart en vertelt de geschiedenis van de religieuze congregatie en van hun realisaties in onderwijs en zorg. ZLJM vormt vandaag een internationale groep met 1220 leden met het zwaartepunt in Azië en Afrika.
Deze actieve congregatie heeft veel erfgoedsporen nagelaten en Erfgoedhuis | Zusters van Liefde beheert deze collecties. Onze organisatie fungeert als een interne archiefdienst van de congregatie, maar is de laatste 30 jaar uitgegroeid tot een publieksgericht Erfgoedhuis.
Het Erfgoedhuis is op zoek naar een nieuwe directeur. Een heel boeiende en uitdagende job:
Je beheert en conserveert de collecties: archief, beeld & geluid, bibliotheek en de objectencollectie. Je verzorgt de overdrachten, registreert en inventariseert.
Je zorgt voor de ontsluiting van de collectie naar het publiek, d.w.z. je bent verantwoordelijk voor de leeszaalwerking, ontleningen en andere raadplegingen. Je bent vrij om deel te nemen aan initiatieven zoals Erfgoeddag, Open Monumentendag en andere initiatieven, je hebt de mogelijkheid om kleine tijdelijke tentoonstellingen te organiseren, je faciliteert rondleidingen en gidsbeurten in de gebouwen verzorgd door een gidsenvereniging, je hebt de mogelijkheid om bijdragen te publiceren in tijdschriften of publicaties uit het historische of erfgoedveld. Je verzorgt de sociale media, waarbij de focus ligt op het onderhouden van de website en de facebook-pagina.
Je faciliteert en organiseert sessies binnen onze werking “Erfgoed en Welzijn”. Je werkt samen met de betrokken partners, zoals andere erfgoedinstellingen, zorgorganisaties en opleidingen voor zorgberoepen door de gebouwen en de collectie ter beschikking te stellen. Waar nodig steek je ook zelf actief een handje toe.
Je bent de plaatselijke verantwoordelijke en vertegenwoordiger van de bouwheer (Algemeen bestuur) voor de uitvoering van het 4-jarige masterplan voor de renovatie, restauratie en herinrichting van het Erfgoedhuis en het beschermde monument in zijn geheel.
Ik zou zeggen, niet aarzelen, maar solliciteren.
https://erfgoedhuis-zljm.org/wp-content/uploads/2023/08/Vacature_directeur_Erfgoedhuis.pdf
Beste vrienden,
We hebben even jullie medewerking nodig. In Afsnee, deelgemeente van Gent, dreigt een stuk erfgoed te verdwijnen. Het gaat om Huize Malpertuis, een landelijk huis, ogenschijnlijk niets bijzonders. Maar er is in dat huis geschiedenis geschreven. Tijdens het interbellum (de jaren '20 en '30) woonden en werkten er in dat huis een hele resem expressionistische kunstenaars, waaronder Gust de Smet en Frits Van den Berghe. Talloze Latemse en internationale kunstenaars kwamen er over de vloer.
Edgard Tytgat schilderde in 1926 deze Herinnering aan een zondag. Een gezellige bedoeling daar in Huize Malpertuis.
Het
zou jammer zijn mocht dit huis gewoonweg verdwijnen. Op 4 mei doet Stad
Gent een definitieve uitspraak over de sloop- en bouwvergunning.
Help
ons mee de Stad Gent ervan te overtuigen dat Huize Malpertuis een stuk
geschiedenis is dat niet mag weggevaagd worden. Teken deze petitie:
In de West-Kruiskade, een winkelstraat in Rotterdam, zorgt culturele diversiteit juist voor saamhorigheid. Het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland doet daar – in opdracht van de overheid – interessante ontdekkingen. Haar vondsten gaan de wereld over. Onderzoeker Mark Schep licht een tip van de sluier op. Over tradities, verbondenheid en de kracht van commercie.
Wie Unesco hoort, denkt aan beroemde monumenten. Sinds 2003 vindt Unesco dat ook niet-tastbare cultuuruitingen moeten worden beschermd, gestimuleerd en doorgegeven aan toekomstige generaties. De VN-organisatie meent dat veel (kennis van) gewoonten en gebruiken ervan verloren gaat door globalisering, commercialisering en individualisering. Daarom is het inventariseren en beschermen van ‘immaterieel erfgoed’ op de agenda gekomen, uit ‘respect voor culturele diversiteit en menselijke creativiteit’. Vanaf 2012 voert het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland die opdracht uit in Nederland. Het eerste onderzoek over immaterieel erfgoed en superdiversiteit vindt plaats in de Rotterdamse straat West-Kruiskade. Gesprek met onderzoeker Mark Schep.
Mark, wat verstaan jullie onder immaterieel erfgoed?
“Samengevat zijn dat cultuuruitingen die groepen en individuen een gevoel van identiteit en continuïteit geven. Erfgoed gaat niet noodzakelijk om onveranderlijke festiviteiten, rituelen, gewoonten en gebruiken. Unesco spreekt niet van protection maar safeguarding. Het gaat erom de cultuuruitingen te beschermen omdat mensen ze belangrijk vinden, ook als – zeker in een multiculturele samenleving – veranderen. Een overzicht van verschillende vormen van immaterieel erfgoed staat op immaterieelerfgoed.nl
Wat die nieuwe vorm betreft, zeggen jullie dat het erfgoed mensen met elkaar verbindt. Wat betekenen al die winkels en eettenten in immaterieel opzicht voor buurtbewoners?
“We zien in de West-Kruiskade dat het immaterieel erfgoed – de eet- en drinkcultuur, de cultuurfeesten – bewoners en bezoekers een gevoel van saamhorigheid, identiteit en continuïteit geven. Ze voelen zich er thuis, juist omdat ze die diversiteit samen beleven. De festivals, die vaak een eigen ‘etnische’ achtergrond hebben, viert iedereen mee. Ik noemde Keti Koti, maar het Zomercarnaval is een ander voorbeeld. Latijns-Amerikaanse en Kaapverdische bewoners vonden februari of maart, de periode van het christelijke carnaval, nou niet de meest geschikte periode om tropisch uit je dak te gaan. En dus bedachten ze in de West-Kruiskade een zomerse variant. Het is een traditie geworden voor Nederlanders met cultureel superdiverse achtergronden. Typisch een voorbeeld van immaterieel erfgoed dat mensen met elkaar verbindt, omdat er dynamisch wordt omgegaan met een stokoude traditie.”
Zijn de bewoners zelf zo actief in het delen en overdragen van hun tradities?
“Unesco maakt onderscheid tussen beoefenaars en beheerders. In de West-Kruiskade zijn de beheerders met name de ondernemers(verenigingen). De bewoners lijken momenteel een kleine rol te spelen in de organisatie van bijvoorbeeld festivals; ze zijn vooral bezoeker. Er zijn ‘Bedrijven Investeringszones’ voor ondernemers en pandeigenaren, die hun activiteiten tegen contributie ondersteunen. De gemeente draagt financieel bij en geeft vergunningen. Ook musea en erfgoedinstellingen spelen daar een rol in.”
Maar als bewoners alleen betrokken zijn bij ‘immaterieel erfgoed’ als er een feestje te vieren valt, draait immaterieel erfgoed dan niet eerder om het commerciële belang van ondernemers die hun belangen verkopen als ‘verbindende’ locaties of activiteiten? Vergelijk maar met Valentijn, dat je kunt zien als een geslaagde marketingcampagne waar burgers – graag of niet – aan meedoen.
“Dit is een bekend fenomeen. Voor sommige mensen is de oorsprong van een traditie erg belangrijk, terwijl anderen een commerciële kans zien, of gewoon een leuke belevenis zoeken. Het Kenniscentrum was aanvankelijk wat beducht voor de sterke rol die ondernemers speelden in het borgen van immaterieel erfgoed in de West-Kruiskade. Zat hier niet te veel commercieel belang achter? In de praktijk bleek dat minder zwaar te wegen dan we oorspronkelijk dachten. De West-Kruiskade had lange tijd als vestigingsbeleid om grote winkelketens te mijden ten bate van lokale, etnische ondernemers. Die zouden beter bij de sfeer van de Kruiskade passen. Die kleine ondernemers voelen sterk dat ze een maatschappelijke functie voor de straat hebben. En ze willen, via hun eigen etnische achtergrond, graag bijdragen aan het diverse erfgoed van de straat door bijvoorbeeld mee te doen aan de organisatie van het Chinees Drakenfeest.”
Commercie maakt immaterieel erfgoed dus niet minder ‘oprecht’.
“Zonder hier uitgebreid onderzoek naar te hebben gedaan, denk ik dat het twee kanten op kan gaan. Of mensen wenden zich af van een traditie omdat het te commercieel is geworden, of ze omarmen het juist en de traditie kan groeien. Geld betekent vaak dat iets kan worden behouden en dat er meer aandacht komt voor een traditie. Een automatisch gevolg kan zijn dat mensen zich er daardoor op den duur ook aan gaan hechten. Bij veel erfgoedgemeenschappen speelt juist de vraag hoe ze hun immaterieel erfgoed aantrekkelijk kunnen maken voor bezoekers. Oftewel, hoe ze het kunnen vermarkten. In sommige gevallen zijn de inkomsten uit toerisme een manier om de traditie in stand te houden.
Het is wel belangrijk dat de erfgoedgemeenschap zich genoeg kan blijven herkennen in het immaterieel erfgoed, en zich wil blijven inzetten voor het toekomstbestendig maken ervan. De erfgoedgemeenschap bepaalt zelf of ze het nog waardevol vindt. Dat wordt niet van bovenaf opgelegd.”
Wat vindt Unesco nou zo waardevol aan verschillende eetkraampjes?
Ondertussen staan we er niet echt meer bij stil dat je overal kebab, falafel of Vietnamese loempia’s kunt halen. Maar stel dat zo’n eetcultuur zou dreigen te verdwijnen…mensen zouden dat vermoedelijk jammer vinden, we zijn er gehecht aan geraakt. Persoonlijk zou ik die diversiteit missen. Het heeft dus zeker een immateriële waarde. Als de eettentjes niet genoeg verkopen, zullen ze uiteindelijk ook de deuren sluiten. De diversiteit aan eet- en drinkculturen laat juist zien dat Nederlanders de multiculturele samenleving ‘lekker’ vinden.
Hoe kunnen we ervoor zorgen dat immaterieel erfgoed saamhorigheid schept?
“Het borgen – doorgeven, ontwikkelen en promoten – van het immaterieel erfgoed vraagt om een actieve en dynamisch houding van de erfgoedgemeenschap. Als je festivals toekomstbestendig wilt houden, zul je altijd moeten blijven nadenken of de vorm nog aansluit bij de behoeften van de mensen die je wilt trekken. Een voorbeeld is het eerder aangehaalde Zomercarnaval. Maar ook het ‘vermarkten’ van erfgoed is belangrijk, namelijk om het bekend(er) te maken. Aan de West-Kruiskade worden Chinese kookworkshops gegeven.
Maar de vraag wat het immaterieel erfgoed in een superdiverse context is, valt nog niet volledig te beantwoorden. Evenals de vraag hoe je het immateriële erfgoed borgt in deze context. Waar in de West-Kruiskade de ondernemers voorlopig de rol van beheerders op zich lijken te nemen, is dat elders wellicht anders. Blijven de ondernemers deze rol op zich nemen in de West-Kruiskade? Welke rol hebben de bewoners of kunnen ze krijgen? Welk samenspel is er tussen de verschillende partijen? En, hoe zit het bijvoorbeeld in steden buiten de Randstad? Bovendien moet immaterieel erfgoed dynamisch zijn, openstaan voor verandering. Hoe zorg je dat je inclusief blijft? In een superdiverse wijk of straat komen er steeds weer groepen bij en zullen er mensen vertrekken. Dit kan de dynamiek veranderen… Er zijn dus nog genoeg vragen om te onderzoeken.”
De winkel werd vanaf 1888 uitgebaat door Adolphe Vanhoecke. Aan het begin van de 20ste eeuw liet Vanhoecke een betegelde gevelreclame aanbrengen door de befaamde tegelproducent Maison Helman Céramiques d’Art uit Sint-Agatha-Berchem. De houten winkelpui uit 1885 bleef behouden.
Maison Helman was één van de belangrijkste producenten van decoratieve tegelpanelen en bouwaardewerk aan het begin van de 20ste eeuw. Voor porseleinwinkel Vanhoecke realiseerde Helman een speciaal op maat gemaakt tegeltableau als gevelreclame. De diverse gebruiks- en sierobjecten in porselein, kristal en faience die worden voorgesteld op de gevelreclame geven een unieke inkijk in de aangeboden koopwaar van een porseleinwinkel tijdens de belle epoque. Het gaat bovendien om één van de grootste en vroegste realisaties van Maison Helman. Ondanks enkele lacunes, heeft de gevelbekleding een bijzondere waarde aangezien ze een voor Vlaanderen zeldzaam voorbeeld is van een betegelde gevelreclame die de volledige voorgevel van het winkelpand beslaat. De artistieke uitwerking en technische uitvoering zijn van hoge kwaliteit. Artistiek zijn de medaillons onder de uitkragende kroonlijst een zeldzaam resterende getuigenis van de invloed van affichekunstenaars als Alphonse Mucha (1860-1939) en Privat Livemont (1861-1936) op de Belgische tegelproductie in de art-nouveaustijl. De diverse florale verwijzingen, al dan niet met symbolische betekenis, zijn op hun beurt getuigenissen van de florale art-nouveaustroming die tijdens de belle epoque opgang maakte in Europa, beïnvloed door de symbolistische schilderkunst.
'Mr. Brundish, u ben toch iemand die begaan is met het welzijn en erfgoed van deze gemeente? Is het nooit bij u opgekomen dat een gebouw met zo'n historische waarde beter benut kan worden?'
Dat was een gemene zet. Mr. Brundish gaf geen zier om het welzijn en erfgoed van het dorp. Hij was het dorp, in zekere zin. Hij had er nooit over nagedacht of hij ermee begaan was of niet.
'Ouderdom is niet hetzelfde als historische waarde,' zei hij. 'Anders zouden wij allebei waardevoller zijn dan het geval is.'
Waarderen is altijd nuttig, je (her)ontdekt er de verhalen en de geschiedenis van voorwerpen in de kerk mee. Die verhalen kan je aan bod laten komen in bijvoorbeeld een tentoonstelling, een publicatie, de geloofsbeleving enz. Je wil bergruimtes opruimen, maar je weet niet welke voorwerpen tot je collectie horen en van belang zijn? Hier helpt de methodiek van het stappenplan om door het bos de bomen te zien. Wanneer een parochiekerk minder of niet meer gebruikt wordt en het roerend erfgoed onder druk staat, beschik je nu over een instrument om samen tot een gefundeerde waardering, selectie en herbestemming te komen.
Toerisme en erfgoed zijn nauw aan elkaar verwant. Het lijkt soms alsof er pas een rij voor de ingang gevormd wordt zodra het label erfgoed op het gebouw of gebied is geplakt. Deze verwantschap heeft zijn positieve zijde: iedere persoon in de rij betaalt een ticket en koopt misschien een broodje in het restaurant dat speciaal naast het gebouw of in het park is geplaatst. Het is dus goed voor de lokale economie. Maar lokaal zijn er ook negatieve effecten en die zijn zowel voor de bewoners als voor de toerist merkbaar, zij kunnen dit als te commercieel ervaren. De grote groepen toeristen en deze commercialiteit verandert de erfgoedbeleving en dat kan schadelijk zijn voor het erfgoed en de authenticiteit ervan. Een voorbeeld zijn de tuinen van Versailles die in de zomer en in de winter een compleet andere beleving bieden. Beide belevingen heb ik ervaren.
In de winter, zeker met sneeuw, zijn de tuinen van Versailles een oase van rust. Door het kleine aantal bezoekers, lijkt het alsof je alleen door de gigantische tuinen rondloopt: Voor je de brede egaal witte laan met het zicht naar het paleis dat wit, vrij en open is. Het Grand Canal en de fonteinen zijn gedeeltelijk bevroren. Vanaf het paleis voert het zicht langs een as die typisch is voor Franse tuinen en die door de sneeuw oneindig lijkt. Er staat geen rij voor de ingang van het paleis, dus de verleiding om binnen op te warmen en het rijke interieur te bezichtigen is groot. Ook binnen is het niet druk en kunnen bezoekers zich goed voorstellen hoe men hier vroeger woonde en genoot van de tuin.
Hoe anders is het in de zomer. De bomen in de Tuinen van Versailles zijn dan wel prachtig volgroeid en groen, voetgangers moeten opletten dat ze niet aangereden worden door fietsers en golfkarretjes, die te huur zijn om grote afstanden af te leggen. De bestuurders genieten van al het moois dat het park te bieden heeft en de weg en het verkeer worden daarbij niet meer in de gaten gehouden.
De zichtas naar het paleis is gevuld met mensen. Zelfs op het Grand Canal varen toeristen in huurbootjes. Slechts het grote grasveld in het midden biedt enigszins vrij zicht. Hier staan bewakers om te voorkomen dat toeristen het gras op lopen. Een treintje op wielen, dat doet denken aan een pretpark treintje, scheert toeterend langs om een lange rij wachtende mensen te passeren.
De extreme tegenstelling tussen winter en zomer is bijzonder en ietwat lachwekkend, maar ook bedroevend: het magische van de winter was in de zomer nergens te herkennen. Het grote aantal mede-toeristen ontneemt de mogelijkheid tot verbeelding van vroegere tijden. Terwijl dit juist van belang is voor de authenticiteit van het erfgoed. Zonder de verbeelding voelt het in de zomer als een mooi en druk park met een bijzonder en historisch gebouw in het hart van de tuinen. In de winter wanen we ons in een paleistuin waar Koning Lodewijk rondwandelde, die langs het Grand Canal opkeek en zag dat hij nog een eind moest lopen voor hij zich binnen kon opwarmen bij de open haard.
Het is een paradox die voortkomt uit de moderne wereld, doordat een groeiend aantal mensen de mogelijkheid hebben om op reis te gaan. De culturele toeristen verwachten bij hun reizen de plaatselijke cultuur te kunnen meemaken. Iets wat John Urry de ‘Tourist Gaze’ noemt (de blik van toeristen). Plekken die representatief zijn voor de plaatselijke cultuur zullen veel bezocht worden door toeristen. De paradox ontstaat zodra de lokale bevolking doorheeft dat zo’n plek populair wordt. Zij zullen er economisch slim op inspelen door bijvoorbeeld rondleidingen, broodjes of treinritjes aan te bieden. En dat brengt de authentieke beleving van zo´n plek in gevaar. Dit is dus ook wat er gebeurt bij Versailles. Toeristen uit de hele wereld komen naar Versailles om een authentiek paleis te zien dat een belangrijk onderdeel is van de Franse cultuur. Er komen zoveel bezoekers op af dat er veel geld aan te verdienen is: de verkoop van entree tickets voor het paleis, voedsel en de verhuur van vervoermiddelen zorgen voor hoge inkomsten. Vaak zal het erfgoed lijden onder de mensenmassa, bij Versailles en andere populaire erfgoederen lijdt voornamelijk de erfgoedbeleving eronder doordat de bezoekers een toeristische trekpleister beleven en niet de kwaliteiten die het paleis en zijn tuinen in zich heeft.
Versailles zullen we natuurlijk nooit ervaren zoals vroeger, maar de erfgoedbeleving zou wel verbeterd kunnen worden. Bijvoorbeeld door het toeristenaantal te verminderen, iets dat wellicht vanzelf zal gebeuren wanneer de paradox van de Tourist Gaze in Versailles doorzet en de meerderheid van de bezoekers het niet meer prettig zullen vinden om het park in het hoogseizoen te bezoeken. Het zou beter voor het park en het paleis zijn om dit voor te zijn, zodat er geen inkomsten worden misgelopen. Spreiding zou een oplossing kunnen zijn, bijvoorbeeld door het erfgoed aantrekkelijk te maken in het laagseizoen. Maar ook het spreiden van de bezoekers door het gehele park zou een oplossing kunnen zijn. Veel toeristen concentreren zich namelijk vooral rondom de paleizen, waardoor de rest van het park erg rustig is. Toch zal uiteindelijk het vinden van de meest authentieke ervaring een uitdaging zijn en blijven in erfgoed.
Met de sneeuwval, het stormweer en overvloedige regen van de voorbije weken kampten zowel de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten op de Brusselse Kunstberg als het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis in het Jubelpark met binnensijpelend water in de tentoonstellingszalen. In beide federale musea is het niet de eerste maal dat tentoonstellingen door de slechte staat van de daken letterlijk 'in het water vallen'.
In de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten werden vorige week zestien werken uit de vleugel voor Oude Kunst preventief weggehaald omwille van waterinsijpeling. De schilderijen kwamen gelukkig niet in contact met vocht. Het water drong de museumzalen binnen via de oude metalen lichtkoepels. De technische ploeg van het museum en de Regie der Gebouwen bekijken of de koepels voorlopig hersteld kunnen worden, maar vermoedelijk moeten ze op termijn vervangen worden. Ook het oude, zinken dak van het museum is op termijn wellicht aan vernieuwing toe. De Koninklijke Musea voor Schone Kunsten hebben niet voor het eerst te kampen met een waterlek. In 2013 moest de prestigieuze Rogier van der Weyden-tentoonstelling om dezelfde reden ook al voortijdig sluiten.
Ook het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis in het Jubelpark kampt al langer met binnensijpelend water. Het museum moest de afgelopen jaren door waterschade al verschillende zalen voor het publiek sluiten. De renovatieplannen liggen klaar, maar lopen vertraging op. Het Fonds InBev-Baillet Latour beloofde al anderhalf miljoen euro voor de inrichting van een nieuwe zaal met twintigste-eeuwse Belgische kunst, maar de herstelling van het dak door de Regie der Gebouwen laat op zich wachten. Het museum dreigt door de aanhoudende problemen bovendien overheidsgeld mis te lopen. Het kreeg een eenmalige subsidie van 500.000 euro, maar moet die binnen een jaar spenderen. En zolang het dak lekt, kan dat niet.
De truc om boven op de stapel van een monumentenfonds, instantie of particulier investeerder terecht te komen, is je kerkgebouw in de schijnwerpers te zetten. Charlotte Bonga, actief in de restauratiecommissie van de Sint Willibrorduskerk te Vierakker, legt uit: “Ons devies was en is: haal alles uit de kast wat je kunt bedenken om jouw kerk onderscheidend te laten zijn.”
Tussen 2000 en 2009 werd de negentiende-eeuwse neogotische hallenkerk in het Gelderse dorp aan zowel de buiten- als binnenzijde grondig gerenoveerd. De totale kosten voor deze renovatie bedroegen ruim twee miljoen euro. Met een geloofsgemeenschap van zo’n 450 parochianen en een inwonerstal van om en nabij de 1.200 dorpelingen, had Vierakker niet genoeg aan de giften en inzamelingsacties van de dorpsgemeenschap om een dergelijk bedrag op te halen. De financiering kwam uiteindelijk rond met behulp van een overheidssubsidie en diverse fondsen, waaronder het Prins Bernhard Cultuurfonds en het VSB-fonds. Ook besteedde provincie Gelderland zogeheten NUON-gelden aan de renovatie. De inspanning van de Vierakkers werd beloond. In 2004 is de restauratie bekroond met de Europese Bernhard Remmersprijs, ook wel bekend als de ‘Oscar in de monumentenzorg’.
In Vierakker bestond het recept voor een geslaagde renovatie uit het enthousiasmeren en mobiliseren van zowel de plaatselijke dorpsgemeenschap als mogelijke financiers. Door enthousiast en positief blijven, ook als het tegenzit. Door alles uit het kerkgebouw te halen wat er in zit. En ten slotte door het opzoeken van de publiciteit, openheid van zaken te geven en iedereen bij het proces en bij het kerkgebouw te (blijven) betrekken. Zo organiseert de Willibrorduskerk openstellingen om iedereen toegang te kunnen verlenen tot het kerkgebouw. 'Geld wordt immers niet gestopt in iets wat voor het merendeel van de bevolking verborgen blijft', zo redeneert Bonga.
Wat betreft unieke kwaliteiten had de Willibrorduskerk het vrij gemakkelijk. Het prachtige interieur, de kleurrijke schilderingen en de ligging in het natuurrijke landgoed Suideras zijn belangrijke selling points van het kerkgebouw. Een waarderapport van de Stichting Kerkelijk Kunstbezit omschrijft het interieur zelfs als ‘het best bewaarde authentieke interieur van een dorpskerk uit die tijd’. 'Een kerk die je omarmt als je binnenkomt', aldus Bonga.
Ook plattelandskerken die wellicht niet op deze uitgesproken wijze bekend staan om hun monumentaliteit kunnen kijken naar wat de betreffende kerk bijzonder maakt. Misschien is dat wel de binding met het dorp, de unieke ontstaansgeschiedenis van het kerkgebouw of wellicht de praktische gebruiksmogelijkheden van de ruimte of de ligging van de kerk. Met andere woorden, zoek iets waar je mee kunt scoren, of het nu om restaureren of herbestemmen gaat.
British Library - Vintage Knitting from Buzz Films on Vimeo.
25 april
Opendeurdag IVV